Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 6.2

De trapsgewijze aanpak

Onderdeel van Beleidsregels aanpak woonoverlast Vijfheerenlanden 2024

Eerst geven we het hoofdproces weer. Daarna lichten we elke processtap afzonderlijk toe. Dat doen we aan de hand van een schematische weergave. In de processtappen wordt verwezen naar instrumenten die kunnen worden toegepast. Deze worden verder uitgewerkt en toegelicht in hoofdstuk 7. Hoofdproces Processtappen De 5 procestappen 0. Gedrag Er is sprake van gedrag (van mens of dier) dat als ernstige en herhaaldelijke hinder wordt ervaren of waargenomen door o.a.: Inwoner(s)/buurt Corporatie/verhuurder/VvE Gemeentelijke organisatie Sociaal team/EROPAF-team Handhaving Politie GGD/GGZ Overige 1. Melding of waarneming Het overlastgevend gedrag wordtgemeld aan of waargenomen door: Politie of Handhaving (op basis van eeneigen waarneming of als de hulp wordtingeroepen), maar ook als onmiddellijk -handhavend- optreden wordt gevraagd/is vereist. Woningcorporatie (bij huurwoningen) Gemeente (in ieder geval als er sprake is van een koopwoning). Meldingen aan de gemeente m.b.t. huurwoningen worden doorgezet naar de betrokken woningcorporatie of een andere verhuurder. Als er sprake is van een eigendomswoning die onderdeel is van een complex met een Vereniging van eigenaren, wordt de melding hiernaar doorgesluisd. Sociaal Team (bij initiatief vanuit bijv. bewoner) dat melding doorzetnaar het EROPAF-team Meld- en adviespunt Bezorgd (MAB, GGD Utrecht). Het MAB beoordeelt de melding. Dezebeoordeling richt zich primair op de vraag of “bemoeizorg” (drang) is geboden of dat moet worden gehandeld op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wvggz (hetgeen kan leiden tot een zogenoemde crisismaatregel of een zorgmachtiging; zie verder). In het eerstegeval wordt de melding (vrijwel altijd) doorzet naar het gemeentelijke EROPAF-team. Tenzijhet MAB oordeelt dat een andere partij beter casushouder kan zijn (bijvoorbeeld de huisarts, de hoofdbehandelaar GGZ, etc.). Als dwang(zorg) nodigis (in de vorm van een crisismaatregel of via een zorgmachtiging die beide leidentot een gedwongen opname) handelt de GGD de casus zelf af. Overlastmeldingenvan “hygiëneproblematiek” worden eveneens door de GGDzelf ter handgenomen. 2. Triage De melding wordt (in eerste instantie) beoordeeld door de ontvanger vande melding aan de hand van drie criteria: Is er sprakevan een (evident) onrechtmatige situatie? Betreft het (evident) “complexe” problematiek? Betreft het (evident) “complexe’ problematiek met of zonder veiligheidsvraagstuk? Indien gewenst, kan afstemming plaatsvinden met de gemeentelijk procesregisseur. Op basis van deze beoordeling wordt de strategie bepaald: Niet onrechtmatig/niet complex Mono-aanpak door partner die melding krijgt. Het accent van de aanpak ligt op het faciliteren van de zelfredzaamheid. Instrumenten: Gesprek Bemiddeling Mediation “Einde interventie-brief” Wel onrechtmatig/ niet complex Mono-aanpak door de partner die de melding ontvangt. De focus ligt op handhavend optreden met wellicht - casusafhankelijk- in eerste instantie meer “bemiddelend”/de-escalerend optreden. Instrumenten: Waarschuwing Gedragsaanwijzing Handhaven (civiel-, straf- of bestuursrechtelijk) Nieto nrechtmatig/wel complex zonder veiligheidsproblematiek Multi-aanpak zonder veiligheidsproblematiek: Melding doorzetten aan gemeentelijk procesregisseur Wel onrechtmatig/wel complex zonder veiligheidsproblematiek Niet onrechtmatig/wel complex met veiligheidsproblematiek Multi-aanpak met veiligheidsproblematiek: Melding doorzetten aan gemeentelijk procesregisseur Wel onrechtmatig/wel complex met veiligheidsproblematiek Multi-aanpak met veiligheidsproblematiek: Melding doorzetten aan gemeentelijk procesregisseur 3. Verrijken De procesregisseur “verrijkt” de casus. Als het gedrag van een overlastgever als “complex” wordt aangemerkt, wordt de melding door de ontvangende partij (gemeente of woningcorporatie) doorgestuurd naar de gemeentelijk procesregisseur4 Zie voor de rolomschrijving (met taken en verantwoordelijkheden, bijlage 1). (via het systeemportaal PGAx). De melding of waarneming wordt door de gemeentelijk procesregisseur beoordeeld naar aard (soort overlast) en omvang (ernst, frequentie, duur) op basis van dan beschikbare informatie. Hij toetst of de doormelding voldoet aan de vereisten voor de multi-aanpak. Desgewenst wint hij nadere informatie in bij betrokken partners, de buurt/omwonenden, of worden observaties (door bijvoorbeeld Handhaving) uitgevoerd. Desgewenst kan de gemeentelijke procesregisseur informatie van de politie verkrijgen door gebruik te maken van het politieoverleg. De burgemeester kan op basis van artikel 16 of 18 van de Wet Politiegegevens politiegegevens opvragen. Vervolgens moet de burgemeester oordelen of het noodzakelijk is om de geheimhouding te doorbreken en de politiegegevens te verstrekken aan de betrokken ketenpartners. Wanneer de burgemeester het doorbreken van de geheimhouding noodzakelijk acht, kan de gemeentelijke procesregisseur de politiegegevens delen met de betrokken ketenpartners. Alle verzamelde informatie wordt door de procesregisseur vastgelegd in PGAx. 4. Aanpak vaststellen Het Casusteam woonoverlast5 Het Casusteam is multidisciplinair samengesteld en kent een vaste kern: gemeentelijk procesregisseur (voorzitter, coördinator), de vertegenwoordiger van de betrokken woningcorporatie waar de casus speelt, Sociaal team Vhl en , indien er sprake is van (mogelijke) handhavingsactiviteiten, een jurist van de gemeente. Afhankelijk van de problematiek schuiven andere ketenpartners aan (Buurtbemiddeling, politie, Avres t.b.v. vroegsignalering/schuldhulpverlening, e.d.). stelt de multi- aanpak vast. De procesregisseur legt de casus voor aan het Casusteam. Dit team stelt een interventieplan op. Hierin worden concrete afspraken gemaakt over onder meer: Te bereiken doelen (passende zorg en/of maatregelen die de gesignaleerde woonoverlast doen afnemen/opheffen); Wie is de Casushouder? De aanpak (interventies) op basis van de beschikbare instrumenten; Informatie-uitwisseling; Tijdlijnen waarbij als uitgangspunt geldt dat een interventie in beginsel maximaal 6 maanden mag duren, vanaf het moment van invoer in PGAx. Als er argumenten zijn om hiervan af te wijken, neemt het Casusteam daarin gezamenlijk een besluit; Monitoring en evaluatie om te beoordelen of de doelen worden/zijn bereikt. 5. Uitvoering, monitoring en afsluiting De partners monitoren de uitvoering en sluiten af als de doelen zijn bereikt. Het Casusteam bespreekt periodiek de voorliggende casuïstiek, monitort, stuurt desgewenst bij en beoordeelt of de (finale) doelstellingen zijn bereikt. Op dat moment wordt de casus afgesloten. De casushouder levert de daartoe vereiste informatie aan. Voor zover nuttig en nodig wordt een nazorgtraject in gang gezet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel