Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4: › Paragraaf 4.1:

Artikel 4:3:

Waarschuwing

Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ, versie 2024

1.. Voor de gedragingen, als genoemd in artikel 26, aanhef en onderdeel b, en artikel 27, aanhef en onderdeel b van de Verzamelverordening, legt het college in plaats van een verlaging van de uitkering, eerst een schriftelijke waarschuwing op, tenzij: de belanghebbende zich in de 12 maanden voor de gedraging al eerder schuldig heeft gemaakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging uit dezelfde categorie; duidelijk is dat de belanghebbende ondubbelzinnig niet aan deze verplichting heeft willen voldoen. 2.. Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00; de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting. Een redelijke termijn als bedoeld in lid 2 sub c van dit artikel, is niet langer dan 60 dagen nadat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt. 3.. In afwijking van het tweede lid legt het college wel een bestuurlijke boete op als: de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen twee jaar nadat in verband met een eerdere schending van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete of een waarschuwing is opgelegd; het college het gegronde vermoeden heeft dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel