**1..** Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering binnen zes weken in één keer terugbetaalt.
**2..** Heeft de belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud, en is betaling ineens niet mogelijk, dan wordt de vordering voor zover mogelijk verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Participatiewet, dan wel artikel 28, derde en vierde lid, Ioaw en Ioaz.
**3..** Wanneer verrekening met de lopende uitkering niet mogelijk is worden vorderingen voor zover mogelijk binnen zes weken in één keer terugbetaald.
**4..** Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, Participatiewet buiten toepassing worden gelaten.
**5..** Het uitgangspunt bij het treffen van een betalingsregeling is dat de gehele vordering wordt terugbetaald binnen 36 maanden.
**6..** Indien de belanghebbende aangeeft en aannemelijk maakt dat terugbetaling binnen 36 maanden niet mogelijk is, wordt bij de betalingsregeling het aflossingsbedrag vastgesteld op 5% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het inkomen boven die bijstandsnorm.
**7..** Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Participatiewet van toepassing. In aanvulling daarop wordt ook de Individuele inkomenstoeslag niet tot het inkomen van de belanghebbende gerekend.
Hoofdstuk 6: › Paragraaf 6.3:
Artikel 6:10:
Invordering
Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ, versie 2024