Kabels en leidingen hebben vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de volgende afstand, bij:
telecommunicatie: 0,60 m;
elektra ls: 0,60 m;
elektra ms: 1,00 m;
water: 1,00 m;
gas: 1,00 m;
warmte: 1,00 m;
riool: 1,20 m of afhankelijk van het verval van de leiding bij vrijvervalleiding.
Als kabels en leidingen elkaar kruisen:
distributiekabels of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;
bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m.
Er moet een strook tussen 0,80 m -mv en 1,00 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
Hoofdstuk 7.
Artikel 7.2.3.
Uitgangspunten verticale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen UNOG