De bevoegdheid tot vaststelling van een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders voor zover de wijziging betrekking heeft op:
het verwerken van kaderstellend beleid dat is vastgesteld door de gemeenteraad;
het beleidsneutraal verwerken van onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan;
het verwerken van een onherroepelijke voortdurende buitenplanse omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.17 van de Omgevingswet;
het verwerken van gewijzigde wet- en regelgeving en beleidsnormen, waarin geen beleidsvrijheid is toegekend;
het toevoegen en of wijzigen van (een) begripsbepaling(en) voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben;
het herstellen van een kennelijke schrijffout, rekenfout of een andere kennelijke fout in het omgevingsplan;
het verwerken van een gerechtelijke uitspraak, voor zover dit via een beleidsneutrale wijziging wordt hersteld;
een wijziging waarbij geen zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit en ten opzichte van dit ontwerpbesluit ook geen wezenlijke ambtshalve wijzigingen zijn aangebracht.
het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in het kader van de transitie dat voldoet aan het vastgestelde herziene uitvoeringskader zoals opgenomen als bijlage bij dit besluit;
Artikel 1
Algemene onderwerpen voor delegatie
Onderdeel van Delegatie- en mandaatbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam