De verhuurder of verkoper moet de woning gedurende een minimale instandhoudingstermijn beschikbaar houden voor de doelgroep. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen is bepaald op 30 jaar na de eerste ingebruikname. De minimale instandhoudingstermijn voor sociale koop en geliberaliseerde woningen voor middenhuur is bepaald op 10 jaar. Deze liggen in lijn met de wettelijke bepalingen hierover. Sociale koopwoningen die na de instandhoudingstermijn worden verkocht, moeten door de eigenaar onbelemmerd kunnen worden verkocht. Behoudens de verplichtingen uit deze verordening kunnen sociale koopwoningen daarom niet met aanvullende privaatrechtelijke belemmeringen worden belast.
Indien woningen binnen de termijn van 10 dan wel 30 jaar worden onttrokken aan de opgelegde categorie, wordt in strijd gehandeld met de doelgroepenverordening. Als bijvoorbeeld een woning wordt verkocht voor een hogere prijs dan in deze verordening is opgenomen dan wel voor een te hoge huur wordt verhuurd gedurende die instandhoudingsperiode, kan de gemeente handhavend optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom.
Artikel 4
Instandhouding
Onderdeel van VERORDENING DOELGROEPEN WONINGBOUW GEMEENTE WIERDEN 2024 (met wijziging 2024)