Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 4.2.1

Bovengrondse ruimte

Onderdeel van Bomenbeleidsplan Zoeterwoude 2024

De voor een boom noodzakelijke bovengrondse ruimte wordt bepaald door de ruimte die de volwassen boomkroon nodig heeft. De soorteigen boomgrootte (eerste, tweede of derde grootte), de kroonvorm en de uiteindelijk te bereiken opkroonhoogte bepalen deze ruimte. De kwaliteit van de bovengrondse ruimte wordt voor bomen bepaald door een aantal elementen: De afstand tot gebouwen en straatmeubilair. Fors uitgroeiende bomen kunnen hier voor diverse negatieve effecten zorgen: het ontnemen van het zicht op bebordingen, het ‘aanraken’ van gevels, een teveel aan schaduwwerking. Windinvloed. Hieronder vallen ook ruk- en valwinden rond (hoge) gebouwen en een stevige tocht (trek) in bepaalde straten. Lokaal kunnen hierbij hoge windsnelheden voorkomen. Voor de aanwezige bomen kan dit in elk geval takbreuk tot gevolg hebben of instabiliteit bij een niet goed ontwikkeld wortelgestel. Juist op deze locaties moet hier bij de boomsoortkeuze rekening mee worden gehouden om vormen van overlast (bijvoorbeeld veel takbreuk) te voorkomen. Luchtverontreinigingen in (binnen)steden, langs (snel)wegen en op bedrijventerreinen. Bij bomen leidt dit tot een verminderde conditie en een slechte ontwikkeling. Ook hier moeten boomsoorten worden geselecteerd die in enige mate resistent tegen deze invloeden zijn. Tegenwoordig is ook bekend dat het juist bomen zijn die de schadelijke effecten van verkeer (fijnstof) door hun aanwezigheid kunnen verminderen: met de bladeren vangen bomen een groot gedeelte van het fijnstof af. Afstand van de stam(men) tot verkeer. Waar mogelijk kunnen, als verkeersgeleidende maatregel, bomen worden aangeplant. Wel is er dan risico op aanrijdschade, door ongevallen of bij parkeren. Dit geeft wonden die de boom verzwakken en toegang bieden voor aantastingen (schimmels, bacteriën). Daarnaast moet worden gelet op de invloed van gladheidsbestrijding op bomen: het wegenzout brengt vaak schade toe aan bomen die langs straten en doorgaande wegen staan. Ook hier geldt weer een juiste boomsoortkeuze: sterke bomen met een relatief geringe gevoeligheid voor strooizout.

Rechtspraak bij dit artikel