Naar hoofdinhoud
De ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het beëindigen of verminderen van de inconveniëntentoelage, een blijvende verlaging ondergaat, komt in aanmerking voor een aflopende toelage om de teruggang in zijn bezoldiging minder abrupt te doen verlopen, indien: er sprake is van een beëindiging of vermindering van de inconviëntentoelage gelegen in factoren buiten eigen schuld of toedoen van de ambtenaar, en de ambtenaar de inconveniëntentoelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Onder wezenlijke onderbreking wordt hier verstaan een onderbreking anders dan door ziekte van langer dan twee maanden. Het eerste lid is niet van toepassing indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan. De berekeningsbasis voor de afbouwtoelage is het bedrag aan inconveniëntentoelage dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaande aan de beëindiging c.q. vermindering gemiddeld per maand heeft genoten, onder aftrek van de mogelijkerwijs resterende toelage. De duur van de afbouwtoelage is gelijk aan één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de inconveniëntencompensatie zonder wezenlijke onderbreking is genoten. Bij het berekenen van het aantal maanden vindt een afronding plaats naar boven op een geheel aantal maanden. De afbouwperiode wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij het eerste en eventueel het tweede deel naar boven wordt afgerond, met dien verstande dat het totaal aantal maanden niet meer mag bedragen dan de duur van de gehele afbouwperiode. De afbouwtoelage begint op het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering van de inconveniënten, met dien verstande, dat indien deze beëindiging of vermindering niet plaatsvindt op de eerste van een maand, het tijdstip van aanvang van de afbouwperiode wordt bepaald op de eerste dag van de volgende maand. De afbouwtoelage bedraagt tijdens in het vierde lid bedoelde drie delen van de afbouwperiode respectievelijk 75 %, 50 % en 25 % van de berekeningsbasis. De periode van het derde deel wordt verlengd tot de datum dat de ambtenaar geheel of gedeeltelijk uit dienst treedt als hij: a. zestig jaar of ouder is op de datum dat hij recht verkrijgt op een afbouwtoelage op grond van het eerste lid; b. de leeftijd van zestig jaar bereikt gedurende de afbouwperiode bedoeld in het vierde lid. Als aanvullende voorwaarde hiervoor geldt dat de ambtenaar de inconveniënten-toelage tenminste 10 jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Indien en zodra de ambtenaar wordt ingedeeld in een hogere salarisschaal wordt de afbouwtoelage geïncorporeerd. Indien en zodra de bezoldiging van de ambtenaar verhoogd wordt als gevolg van een nieuw toegekende toelage wordt de afbouwtoelage verminderd met het bedrag van de nieuwe toegekende toelage.

Rechtspraak bij dit artikel