Naar hoofdinhoud
1.. Een college kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. Een college dat wenst uit te treden maakt het voornemen tot uittreding per aangetekende brief kenbaar aan het bestuur. 2.. Het bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke worden vastgelegd in een door het bestuur vast te stellen uittredingsplan. 3.. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 4.. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van het uittredende college. 5.. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. Het bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van het uittredende college en het bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het college welke voornemens is uit te treden. 6.. De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van het voornemen van uittreding. Tevens kan de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van maximaal 5% op de uittreedsom toepassen om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart het uittredende college van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 7.. Het college dat voornemens is uit te treden wordt gedurende een termijn van twaalf weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept-uittredingsplan. 8.. Uiterlijk twaalf maanden nadat het college zijn voornemen tot uittreding overeenkomstig het eerste lid bekend heeft gemaakt stelt het bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor het uittredende college omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 9.. Het bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het bestuur onderzoekt in dat kader met het uittredende college de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van het college. 10.. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden, geldt voor de uittreding uit de regeling een opzegtermijn van 1 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar; is de uittredende gemeente gehouden om binnen 6 maanden de voor haar vastgestelde financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen, tenzij het bestuur unaniem tot het hanteren van een andere termijn besluit.

Rechtspraak bij dit artikel