Naar hoofdinhoud
1.. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan. 2.. De leden van het bestuur hebben ieder één stem. 3.. Het bestuur beslist bij volstrekte meerderheid van stemmen. 4.. De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen. 5.. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van het college afloopt. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, blijven aftredende leden hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop de raden der deelnemers de nieuwe wethouders hebben benoemd en de deelnemers de nieuwe leden vervolgens hebben aangewezen. Het lidmaatschap eindigt van rechtswege wanneer het lid de status van collegelid verliest 6.. De deelnemers beslissen binnen twee maanden na de benoeming als bedoeld in het vijfde lid over de aanwijzing van de nieuwe leden. 7.. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stelt het lid de voorzitter van het bestuur, alsmede de deelnemer die hem heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Het ontslag gaat in per direct of per de door het ontslag nemende lid aangegeven datum en is onherroepelijk. 8.. De deelnemer die een lid heeft aangewezen dat niet langer diens vertrouwen bezit, kan dat lid schorsen of ontslaan. De schorsing of het ontslag gaat onmiddellijk in. 9.. De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt binnen twee maanden. 10.. Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het bestuur eindigt eveneens op het moment van uittreding uit deze regeling van de deelnemer die het (plaatsvervangend) lid vertegenwoordigt. 11.. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel