Aanvullingen op de algemene weigeringsgronden vanuit de verordening. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
als de cliënt geen inwoner is van de gemeente Eersel
Ingezetenschap: een cliënt moet inwoner zijn van de gemeente. Dat wil zeggen, zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Eersel. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP). De cliënt moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente Eersel verblijven.
als deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;
Een maatwerkvoorziening voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Dit betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt. De voorziening moet voor deze aanvrager ook noodzakelijk zijn in de zin van de wet.
deze niet langdurig noodzakelijk is;
Bij het bepalen of een voorziening langdurig noodzakelijk is, wordt gekeken naar de prognose van het ziektebeeld. Waar op korte termijn, zijnde maximaal 6 maanden, verbetering of genezing wordt verwacht, wordt geen voorziening in het kader van de Wmo verstrekt. Waar te verwachten is dat de beperkingen langdurig van aard of blijvend zijn, kan een Wmo maatwerkvoorziening worden verstrekt. Op grond van de Zvw kunnen rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen zoals draaischijven, patiëntentilliften en transferplanken, toiletverhogers, toilet- en douchestoelen slechts voor beperkte of onzekere duur (uitleentermijn 26 weken) worden verstrekt (artikel 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het is, afhankelijk van de specifieke situatie van de client, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.
als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorziening de hulpvraag kan oplossen;
Het is gebruikelijk dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat inwoners en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet of zo min mogelijk aangewezen zijn op maatschappelijke ondersteuning;
als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Zie hiervoor de toegangsrichtlijnen van een algemeen gebruikelijke voorziening in artikel 1, eerste lid onder b van de verordening en artikel 9, lid e van deze beleidsregels;
als voor de hulpvraag die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, recht bestaat op een voorliggende voorziening op grond van een andere (wettelijke) bepaling of regeling.
Het begrip voorliggende voorziening is niet opgenomen in de wet en kan niet als weigeringsgrond worden gehanteerd voor afwijzing van aanvragen waarvoor ook een beroep op een andere wet kan worden gedaan;
Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Als vorm van eigen kracht wordt ook verstaan dat client daadwerkelijk een beroep kan doen op andere wetten ( zoals bijvoorbeeld de Zvw en de Participatiewet).
Er wordt daarom géén maatwerkvoorziening verstrekt voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.
als de cliënt de gevraagde voorziening vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
als het een voorziening betreft die cliënt na de melding en vóór de datum van besluit het gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de bestaande en bekende beperkingen en de te verwachte ontwikkelingen daarvan (als de maatwerkvoorziening had kunnen worden voorkomen). Bijvoorbeeld als er een voorziening in de woning is aangebracht, zoals een bad en het was op dat moment vanwege beperkingen te voorzien dat deze voorziening in de toekomst niet meer adequaat zou zijn bestaat ook geen aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van de wet;
als de economische afschrijvingstermijn van een verstrekte voorziening nog niet is verstreken. Met deze economische afschrijvingstermijn wordt de economische levensduur bedoeld.
Voor deze hulpmiddelen wordt onderstaande afschrijvingstermijn gehanteerd:
hulpmiddelen voor volwassenen:
7 jaar
hulpmiddelen voor kinderen:
5 jaar
douche- en toiletmateriaal:
5 jaar
sportrolstoelen en overige sportvoorzieningen:
3 jaar
vervoersvoorzieningen:
7 jaar
woonvoorzieningen:
Traplift:
8 jaar
‘mindervalide’ kraan:
15 jaar
pakpaal:
15 jaar
automatische deuropener:
15 jaar
Voor voorzieningen die hierboven niet staan vermeld kan in overleg worden getreden met fabrikanten of leveranciers en moet de afschrijvingstermijn gemotiveerd in het onderzoeksverslag worden uitgelegd.
Dit algemene uitgangspunt laat onverlet dat in individuele situaties voor een specifieke voorziening een afwijkende economische levensduur kan worden bepaald. Deze economische levensduur betekent niet dat de cliënt na het verstrijken daarvan voor een vervangende maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Indien de economische levensduur is verstreken, maar de maatwerkvoorziening nog passend en technisch gezien in orde is, bestaat er geen aanspraak op een vervangende maatwerkvoorziening.
Bij een melding voor het vervangen van een voorziening wordt eerst onderzocht of de situatie van de cliënt is veranderd. Als dat niet het geval is, wordt bepaald of de economische afschrijvingsduur al dan niet is verstreken. Als de economische afschrijvingsduur van een eerder verleende voorziening nog niet is verstreken wordt geen nieuwe voorziening verstrekt.
Tenzij sprake is van de volgende uitzonderingen:
De voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
De cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
De verstrekte voorziening niet langer een oplossing voor de cliënt biedt om zelfredzaam te zijn en te kunnen participeren.
De economische afschrijvingstermijn speelt in dat geval geen rol.
als deze gezien de beperkingen van de cliënt, niet veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of anti-revaliderend werkt;
als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wlz of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar client weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt;
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarin de voorziening moet worden getroffen;
Een uitzondering hierop is het bezoekbaar maken van de woning. Het bezoekbaar maken van een woning kan een maatwerkvoorziening zijn als dit de cliënt in staat stelt tot participatie, door deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer en het ontmoeten van medeburgers en contacten te onderhouden. Een voorbeeld hiervan kan zijn dat de woning van de ouders rolstoeltoegankelijk wordt gemaakt voor hun kind die in een instelling verblijft.
als de woning niet geschikt is om permanent te wonen, zoals o.a. een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een ADL-clusterwoning;
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
als de verhuizing de beperking in de zelfredzaamheid en participatie niet oplost, bijvoorbeeld als de cliënt zonder dringende reden verhuist vanuit een woonruimte waarbij de cliënt geen problemen had bij het normale gebruik van de woning, naar een woning waar de cliënt dit wel heeft;
als de cliënt niet verhuist naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij hij hiervoor schriftelijke toestemming van het college heeft gekregen;
als de voorziening tegen geringe meerkosten in de nieuwbouw of renovatie kan worden meegenomen. Een voorbeeld hiervan is om een douche op afschot te plaatsen in plaats van een bad.
als de cliënt woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen, waartoe de cliënt behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals een elektrische deuropener.