De Wmo 2015 is bedoeld om de eigen kracht te versterken. Een inwoner wordt aangemoedigd zelf de controle te voeren en eigen mogelijkheden te gebruiken. Voor het versterken van de eigen kracht zijn persoonlijke eigenschappen (wie is de inwoner?), talenten en vaardigheden (wat kan iemand?), zingeving (wat wil iemand?), krachten en mogelijkheden in de omgeving (wat heeft iemand?) en kennis en ervaring (wat weet iemand?) belangrijk. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en zijn netwerk worden tijdens het onderzoek besproken. Hieronder zijn voorbeelden van eigen oplossingen aangegeven.
a. Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid
De inwoner met een ondersteuningsvraag wordt aangemoedigd om eerst eigen mogelijkheden te zien en in te zetten om de behoefte aan ondersteuning op te lossen. Dit kan al aanwezig zijn, omdat het hoort tot het eigen normale leefpatroon. Door het verdergaan op wat er al is, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. De gemeente sluit niemand uit door inkomen en vermogen, maar mag wel kijken of iemand zelf in een oplossing kan voorzien, ook in financieel opzicht. Als een inwoner bijvoorbeeld altijd particuliere hulp heeft gehad en vraagt om huishoudelijke hulp via de Wmo 2015, wordt degene geacht dat net als eerst zelf te regelen, ook al zijn er beperkingen ontstaan. Dat geldt ook bij woonvoorzieningen als iemand zelf kan voorzien in een passende oplossing. Om mensen te ondersteunen in de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid nemen gemeenten nieuwe ideeën om dit te stimuleren. Een goed voorbeeld daarvan is de Subsidieregeling Gewoon gemak.
Inwoners kunnen een subsidie aanvragen voor woningaanpassingen en hulpmiddelen om langer thuis te kunnen wonen, op https://swogemeente-oldebroek.nl/dienstverlening/gewoon-gemak/ staat wat er mogelijk is.
b. Algemeen gebruikelijke voorziening
Soms kan een ondersteuningsvraag opgelost worden door een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening voor iedereen beschikbaar, en het maakt niet uit of iemand beperkingen heeft. Wat algemeen gebruikelijk is, hangt ook af van geldende maatschappelijke normen.
Een voorziening is algemeen gebruikelijk als:
die voor iedereen in de reguliere handel verkrijgbaar is, waarbij ook gebruik gemaakt kan worden van een tweedehands of gebruikt artikel;
de prijs van de voorziening is vergelijkbaar met soortgelijke producten;
de voorziening is niet alleen voor een inwoner met een beperking bedoeld;
een gezonde persoon, ook gelet op de individuele situatie, waaronder de leeftijd, over de voorziening zou beschikken;
de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of meedoen in de samenleving;
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau, waarbij getoetst wordt op de op dat momenten geldende bijstandsnorm.
In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden zijn een (elektrische) fiets of tandem, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kraan, zonwering, kinderopvang (buiten schoolse opvang, familie, anders), boodschappendienst, glazenwasser, sportvoorzieningen etc.
c. Gebruikelijke hulp
In de Wmo wordt gesproken over gebruikelijke hulp en niet gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten gevonden worden elkaar te bieden.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om:
het doen van het huishouden;
ondersteuning bieden bij meedoen in de samenleving, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, buurtfeest, bibliotheek etc.;
het bieden van hulp bij of het overnemen van taken, zoals het doen van de administratie;
het geven van hand- en spandiensten;
het bieden van dagelijkse structuur binnen het leefritme van huisgenoten. Bijvoorbeeld samen de maaltijden maken en opeten of het ontvangen van bezoek;
het leren omgaan van anderen, zoals familie en vrienden, met de beperkingen van de persoon.
Bij de gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de hele leefeenheid. Onder leefeenheid verstaan we alle personen waarmee de inwoner op hetzelfde adres woont en een huishouden deelt (uitwonende kinderen en partner vallen hier dus buiten). Als er tot de leefeenheid huisgenoten horen die huishoudelijke werkzaamheden kunnen overnemen, wordt van hen verwacht dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter.
Wanneer er kinderen onder de 18 jaar zijn mag de inzet niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, en schoolprestaties. Het college zal onderzoek doen naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijk werk, daarbij wordt gebruik gemaakt van het CIZ protocol gebruikelijke hulp. Er wordt rekening gehouden met dat wat op een bepaalde leeftijd als inzet van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke activiteiten als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 12 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun kamer op orde houden, rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen.
Van iedere volwassene (21 jaar en ouder) wordt verwacht naast een volledige baan of studie bovenstaande gebruikelijke taken op zich te nemen.
Studie of (vrijwillige) werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Wanneer een huisgenoot de hulp en begeleiding kan geven, is er geen compensatie uit de Wmo noodzakelijk. Alles wat een huisgenoot kan doen, hoeft niet gecompenseerd te worden uit de Wmo. Ook niet als er eerder wel een Wmo voorziening was afgegeven.
Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid gedurende een aantal aansluitende dagen en nachten kunnen niet-uitstelbare taken worden overgenomen.
Onder niet- en wel-uitstelbare taken verstaan we het volgende:
Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;
Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.
Als de huisgenoot aangeeft niet te weten hoe een taak moet en dit nooit gedaan heeft, kan korte tijd (maximaal 3 maanden) ondersteuning worden ingezet om het aan te leren.
Er wordt rekening gehouden met eigen beperkingen en gezondheidssituatie van degene die de gebruikelijke hulp verleent. Dit geldt ook als er sprake is van (dreigende) overbelasting, totdat deze is opgeheven. Als de overbelasting veroorzaakt wordt door maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, moet het verlenen van gebruikelijke hulp in balans zijn met die maatschappelijke activiteiten.
Afbakening gebruikelijke en niet gebruikelijke hulp
Het is belangrijk dat er in de leefeenheid gekeken wordt naar wat wel en wat niet gebruikelijke hulp is.
Wanneer de dreigende overbelasting door andere activiteiten (zoals vrijetijdsbesteding) wordt veroorzaakt, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om alsnog een maatwerkvoorziening toe te kennen voor taken die in redelijkheid overgenomen kunnen worden door huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp.
In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van huishouden, werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, gaat het aanvragen van persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet voor op het eventueel bieden van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo.
Uitzonderingen
In bepaalde gevallen kan een inwoner, ondanks de aanwezigheid van een of meerdere huisgenoten, toch in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld in de volgende gevallen:
Wanneer de partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft en of door de combinatie met het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken. Dan zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Het college moet daar een onafhankelijk oordeel over kunnen vormen.
In het geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van de leefeenheid van de inwoner, afgewogen worden of taken die anders onder de gebruikelijke hulp vallen toch in aanmerking kunnen voor een maatwerkvoorziening.
Als naar het oordeel van het College sprake is van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: stapeling van zorgtaken.
d. Mantelzorg
Mantelzorg (zie art.1.1.1.Wmo 2015, begripsbepalingen) is hulp bij de zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving, die rechtstreeks ontstaat uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt gekregen in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke zorg en kan geboden worden door huisgenoten of door andere personen uit het sociale netwerk. De mantelzorger is bereid om een groot deel of de gehele ondersteuning te bieden en doet dit vrijwillig. Belangrijk is de verdeling tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. Mantelzorgers vinden het geven van hulp aan anderen meestal vanzelfsprekend, de relatie met de persoon die ondersteuning nodig heeft is de drijfveer voor deze zorg. Tijdens de onderzoeksfase wordt dit in kaart gebracht, net als de eventueel dreigende overbelasting. Ondersteuning is dan belangrijk om de taak van de mantelzorger vol te kunnen houden, door ‘vrij te zijn’ van zorg. De ondersteuning is dan bedoeld voor de persoon met een beperking. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting kan de gemeente de mantelzorger ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door iemand door te sturen naar het Steunpunt Mantelzorg.
In geval van een voorziening wordt deze altijd gegeven aan de persoon met een beperking en niet aan de mantelzorger. Als er een maatwerkvoorziening wordt gegeven in de vorm van een Pgb kan deze niet door een overbelaste mantelzorger worden ingevuld: het gaat namelijk ook om diens (dreigende) overbelasting.
Er zijn verschillende manieren om de zorgtaak voor de persoon aan wie mantelzorg wordt gegeven te verlichten, zoals:
het inzetten van eigen netwerk om bijvoorbeeld een paar uur zorg over te nemen;
het inzetten van een vrijwilliger, zie ook onder e;
ondersteuning door MEE;
gebruik maken van welzijnsactiviteiten;
gebruik maken van het mantelzorgsteunpunt;
het inzetten van begeleiding groep;
het inzetten van begeleiding individueel door professionele hulp;
het inzetten van kortdurend verblijf (logeren).
e. Vrijwillige hulp
Vrijwillige hulp kan in verschillende vormen gebeuren en het kan voorkomen dat er een beroep gedaan wordt op een andere voorziening. Voorbeelden zijn: een maatjes project, het doen van hand- en spandiensten en inloopactiviteiten. Op basis van de Wmo 2015 is een Verklaring omtrent gedrag (VOG) verplicht als de vrijwilliger mensen met een beperking ondersteunt.
Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.8
Artikel 1.8.1
Eigen oplossingen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2024