Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 7

Renovatie

Onderdeel van Integraal Huisvestigingsplan 2024- 2039 Rijssen- Holten

Onder de huidige wetgeving is ‘renovatie’ geen officiële voorziening in de onderwijshuisvesting (als bedoeld in art. 92 lid 1 Wpo, art. 90 lid 1 Wec en art. 6.2 lid 1 Wvo) omdat – zo was de gedachte – het begrip niet eenduidig is te definiëren. Gemeenten en schoolbesturen worden daarom geacht in goed overleg met elkaar tot een redelijk vergelijk te komen over de verdeling van de kosten en een eventuele keuze tussen renovatie en nieuwbouw. Met dit artikel is nu geprobeerd in aansluiting op de verwachte wetswijziging hier een richting aan te geven. Waarbij het uitgangspunt is dat renovatie een combinatie kan betreffen van instandhoudings-, onderwijskundige-, functionele- en kwaliteit verhogende ingrepen. Hieronder worden in de leden 2 en 3 van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden voor: Renovatie als levensduurverlening – revitalisatie, of Renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw – vernieuwbouw Het uitgangspunt is dat renovatie een combinatie kan betreffen van instandhoudings-, onderwijskundige-, functionele- en kwaliteit verhogende ingrepen. De volgende afwegingen liggen ten grondslag aan de motivatie om te kiezen voor renovatie in plaats van (vervangende) nieuwbouw: Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of; Het pand heeft verschillende bouwdelen en/of; Het pand heeft nog een hoge boekwaarde, en; De exploitatie vormt geen probleem, en/of; Renovatie is een goedkoper alternatief voor nieuwbouw, en/of; Met renovatie zijn dezelfde duurzaamheidsambities te behalen als bij dan (vervangende) nieuwbouw. Renovatie als levensduurverlening - revitalisatie De gemiddelde levenscyclus van een gebouw bedraagt 65 jaar (40 + 25), waarbij de gemeente na het 40e levensjaar bijdraagt aan een levensduur verlengende renovatie. Het uitgangspunt is dat renovatie in combinatie met het reguliere onderhoud bijdraagt aan en levensduurverlenging van 25 jaar. Na het 65e levensjaar wordt vervangende nieuwbouw opgenomen. Renovatie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbesturen en gemeente. De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie: Na renovatie is te minste nieuwbouw kwaliteit BENG gerealiseerd; Het schoolbestuur blijft verantwoordelijk voor het uitvoeren van adequaat onderhoud volgens een MJOP, volgens NEN 2767 en het gebouw minimaal op conditieniveau 3 te onderhouden; De gemeente draagt in het 40e levensjaar van een gebouw, in het kader van een renovatie, 30% van de bijdrage van de normvergoeding voor nieuwbouw voor het aanpassen van het gebouw ter verbetering van het binnenklimaat, de energieprestaties en de onderwijskundige functionaliteit. Uitgangspunt voor de gemeentelijke bijdrage is de permanente ruimtebehoefte van een school. Dit kan afwijken van de werkelijke omvang van een gebouw; Schoolbesturen dragen, in het kader van een renovatie, de overige lasten om te komen tot nieuwbouw kwaliteit. Deze bijdrage valt te bekostigen uit het onderhoudsbudget. Insteek hierbij is dat schoolbesturen met goed onderhouden schoolgebouwen naar verwachting minder of niet hoeven bij te dragen; Als de kosten van de renovatie, exclusief onderhoudsmaatregelen, meer dan 60% van de kosten voor vervangende nieuwbouw bedragen, gaan de gemeente en schoolbesturen in gesprek om te onderzoeken of vervangende nieuwbouw geen optimaler alternatief is; Schoolbesturen investeren in extra maatregelen ten behoeve van de ENG of NOM ambitie, onder de voorwaarde dat de terugverdientijd van de extra investering binnen 15 jaar gerealiseerd kan worden. Renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw – vernieuwbouw Hierbij is het uitgangspunt dat renovatie een gelijkwaardig alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw. Bij renovatie wordt, indien de noodzaak aanwezig is, na het 40e levensjaar het bestaande gebouw, met dezelfde eisen als bij (vervangende) nieuwbouw, kwalitatief verbeterd. De technische levensduur wordt bij deze ingreep met minimaal 40 jaar verlengd. Na de ingreep zijn de gebouwen duurzaam, passend aan het onderwijsconcept en passend aan de functionele wensen en eisen. De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie: Renovatie vormt een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw, de wettelijke eisen en ambities die gelden voor (vervangende) nieuwbouw zijn ook van toepassing op renovatie; Vijf tot drie jaar voordat het gebouw het einde van de economische levensduur (40 jaar) heeft bereikt wordt er een businesscase opgesteld. De businesscase toont aan of en wanneer er een noodzaak tot huisvestingsingrijpen aan de orde is op basis van een conditiemeting van het betreffende gebouw. Ook dient de businesscase aan te tonen of renovatie dan wel vervangende nieuwbouw de best passende oplossing is; Het opstellen van de businesscase is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en schoolbesturen; De gemeente draagt in het 40e levensjaar van een gebouw, in het kader van een renovatie, 60% van de bijdrage van de normvergoeding voor nieuwbouw. Als de gemeentelijke bijdrage, op basis van de werkelijk benodigde investering, niet toereikend blijkt voor het bekostigen van BENG dragen de schoolbesturen bij. Deze bijdrage valt te bekostigen uit het onderhoudsbudget. De insteek hierbij is dat schoolbesturen met goed onderhouden schoolgebouwen naar verwachting minder of niet hoeven bij te dragen en/of meer met het beschikbare budget kunnen realiseren; Uitgangspunt is dat de ingrepen die met deze totale vergoeding (vanuit de gemeente en schoolbestuur) te bekostigen zijn ervoor zorgen dat de technische levensduur van het totale schoolgebouw met minimaal 40 jaar wordt verlengd; De VNG-normbedragen gelden ook als uitgangspunt bij de berekening van de gemeentelijke vergoeding bij renovatie. Basis voor de vergoeding is de normvergoeding voor nieuwbouw dan wel uitbreiding. Met name bij renovatie van een gedeelte van een gebouw ligt het meer voor de hand uit te gaan van de normvergoeding voor uitbreiding.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel