2.1 Begrippenkader
In dit statuut wordt verstaan onder:
Financiering
Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar.
Geldstromenbeheer
Alle activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren, zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).
Intern liquiditeitsrisico
De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren-investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen.
Kasgeldlimiet
Een bedrag, op basis van de Wet fido, ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.
Koersrisico
Het risico dat voortvloeit uit de mogelijkheid dat de financiële vaste activa (aandelen, verstrekte geldleningen en bijdragen in investeringen van derden) van de organisatie in waarde verminderen door negatieve (koers)ontwikkelingen.
Kredietrisico
Het risico op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij.
Liquiditeitenbeheer
Het beheer van financiële middelen voor een periode tot één jaar.
Liquiditeitenplanning
Een schematisch overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid met als doel de liquiditeitsontwikkeling te monitoren.
Medium term note
Een instrument voor de gemeente om financiering met een looptijd van minimaal twee en maximaal dertig jaar aan te trekken. Een MTN is een verhandelbare schuldbekentenis aan toonder met gestandaardiseerde voorwaarden.
Rating
De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier.
Renterisico
Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen.
Renterisiconorm
De renterisiconorm houdt in, dat de jaarlijkse verplichte aflossingen en de renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Het doel is om het renterisico bij herfinanciering te beheersen.
Rentetypische looptijd
Looptijd tussen twee renteconversie momenten. Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningsvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet-beïnvloedbare constante rentevergoeding.
Saldobeheer
Het beheer van de dagelijkse saldi op de bankrekeningen.
Schatkistbankieren
Het (verplicht) aanhouden van publieke middelen bij het Ministerie van Financiën.
Solvabiliteit
Verhouding (%) van het eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen. Deze verhouding geeft aan of de schulden op lange termijn voldaan kunnen worden. Dit heet ook wel ‘buffervermogen’. Het eigen vermogen is het verschil tussen de bezittingen en de schulden.
Rentevisie
Toekomstverwachting over de renteontwikkeling, uitgaande van een aantal rentebepalende factoren, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd.
Treasury-functie
Dit omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasury-functie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer.
Uitzetting
Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen voorwaarden en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.
(benodigde) Weerstandscapaciteit
Voor alle in het risicomanagementsysteem opgenomen financiële risico’s wordt een kans van optreden en een financiële omvangingeschat. De kans van optreden wordt uitgedrukt in drie klassen: 10% (lage kans), 50% (gemiddelde kans) en 90% (hoge kans).
Artikel 2 Treasurystatuut
Artikel 2 Treasurystatuut
Onderdeel van Treasurystatuut gemeente Renswoude 2023