**1..** Aan het bestuur van het recreatieschap worden ter behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen en ter verwezenlijking van de in artikel 4 omschreven taken alle bevoegdheden overgedragen die aan de bestuursorganen van de deelnemers toebehoren evenals alle bevoegdheden van regeling en bestuur voortvloeiende uit de Wgr en de Gemeentewet, met inachtneming van de beperkingen daarin gesteld en voorts met inachtneming van hetgeen in deze regeling verder is bepaald.
**2..** Onder de in het eerste lid overgedragen bevoegdheden worden in ieder geval verstaan:
besluiten tot het oprichten van en deelnemen in rechtspersonen, voor zover dit past binnen het in artikel 3 gestelde belang;
besluiten tot het aangaan van overeenkomsten als bedoeld in artikel 4, tweede lid.
besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met derden, niet zijnde deelnemers aan de regeling, tot het verrichten van adviserende, ondersteunde en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van natuur en recreatie.
het vaststellen van verordeningen, al dan niet door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven strekkende tot de uitoefening van het doel en de taken van het recreatieschap, met in achtneming van het bepaalde in artikel 156, tweede en derde lid van de Gemeentewet;
het vaststellen van een belastingverordening voor de heffing van rechten als bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet;
het uitoefenen van de gemeentelijke bevoegdheden, ingevolge artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht (ongeklede recreatie);
het uitoefenen van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 2.1 en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor wat betreft het gestelde in Bijlage I, onderdeel C, categorie 19, onder 19.1, onder g en ten eerste van het Besluit omgevingsrecht (gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen; -voertuigen).
het instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de Wgr.
**3..** Het algemeen bestuur besluit niet tot vaststellen van een verordening, dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het dagelijks bestuur zendt daartoe het ontwerp van de verordening aan de raden. De raden van de deelnemende gemeenten zenden binnen drie maanden na ontvangst van het ontwerp van die verordening hun schriftelijke reactie aan het algemeen bestuur.
**4..** Indien de raad van een deelnemende gemeente, op het grondgebied waarvan de verordening betrekking heeft, schriftelijk heeft bericht, dat naar zijn mening de verordening geheel of ten dele niet dient te gelden voor bepaalde aangewezen gebieden van deze gemeente, worden deze gebieden uitgesloten van de werkingssfeer van de betreffende bepalingen van de verordening. Deze uitsluiting geldt slechts indien:
een gemeentelijke verordening voorziet in hetzelfde onderwerp, en
door het bestuursorgaan wiens bevoegdheden het betreft voorzien is in een mandaatregeling met betrekking tot de voor het beheer en toezicht noodzakelijke bevoegdheden voor het uitvoeringsorgaan dat door het recreatieschap is belast met het beheer over het gebied.
**5..** In de door het algemeen bestuur vast te stellen verordening als bedoeld in het derde lid wordt een eventuele uitsluiting als bedoeld in het vierde lid, vermeld met verwijzing naar de voor deze gebieden geldende gemeentelijke verordening.
**6..** Het algemeen bestuur stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop in een vroegtijdig stadium ingezetenen van de deelnemende gemeenten alsmede belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van het recreatieschap worden betrokken.
HOOFDSTUK II:
Artikel 5
Bevoegdheden
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Geestmerambacht