Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1

Artikel 14

Verbod op lozen van hemelwater op de riolering

Onderdeel van Waterafvoerverordening Gemeente Noordwijk

1.. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2.. De eigenaar van een perceel is verplicht om hemelwater op zijn eigen terrein te verwerken. De eigenaar dient hiervoor een voorziening aan te brengen die tenminste 60 liter per m2 verhard oppervlak kan verwerken. vasthouden of door middel van infiltratie kan bergen in de bodem. Indien in de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap Rijnland hogere eisen zijn geformuleerd, komen deze in plaats van de gemeentelijke eisen. 3.. In het voldoen aan de eisen in lid 2, is de eigenaar vrij in de keuze voor de wijze van verwerking en het type voorziening dat wordt aangelegd. Berging van hemelwater in de bodem door infiltratie is echter alleen toegestaan in specifieke, door de beheerder aangewezen gebieden. Buiten deze gebieden dient de eigenaar het hemelwater op eigen terrein vast te houden, om het daarna vertraagd af te voeren. 4.. Het verbod uit lid 1 geldt niet wanneer er, als gevolg van extreme neerslag meer hemelwater verwerkt moet worden dan de hoeveelheid die in lid 2 genoemd wordt. De eigenaar is daarom verplicht de overstortvoorziening, waarmee de hierboven bedoelde grotere hoeveelheid hemelwater op het (gemengde) riool wordt geloosd, zo in te richten dat de beheerder de werking en het onderhoud kan controleren De eigenaar moet hiervoor een ontwerptekening, revisietekening en beheerplan door de beheerder laten goedkeuren. 5.. De hemelwatervoorziening wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze: het opgevangen hemelwater hergebruikt of vertraagd afvoert; en binnen vijf dagen weer volledig beschikbaar is voor het verwerken van een volgende regenbui. ` Dit mag langer zijn indien het systeem is aangesloten op regenradar waarbij 24 uur vooraf aan een regenbui het systeem automatisch loost op het (gemengde) riool. 6.. Het bevoegd gezag kan bij een Omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 1 en lid 2 wanneer van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel dat met het verbod wordt gediend. 7.. Bij elke (ver)nieuwbouwactiviteit geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging niet af mag nemen. 8.. De voorzieningen als bedoeld in lid 2 dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden. 9.. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het lid 5 wordt tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, ingediend.

Rechtspraak bij dit artikel