Het uitgangspunt is dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de relatie met een samenwerkings¬verband bij het college berust. Daar waar de gemeente (mede)eigenaar is van een verbonden partij wordt deze rol door leden van het college namens het college uitgeoefend. De raad heeft in deze opzet de handen vrij om het college ter verantwoording te roepen. De gemeente Waterland heeft geen doorslaggevende zeggenschap over een samenwerkingsverband, waardoor het kan gebeuren dat er een ander besluit wordt genomen dan wat Waterland graag wil. Deze spanning wordt goed beschreven in hoofdstuk 4 van de handreiking voor gemeenteraadsleden en griffiers (2015), link: Handreiking.
In deze besturingsfilosofie kan de raad zijn controlerende taak ten volle uitvoeren, mits de raad over tijdige en adequate informatie van het college beschikt. Dat stelt eisen aan het informatieverkeer tussen GR en colleges.
Het college moet de raad toestemming vragen om een gemeenschappelijke regeling aan te gaan of te wijzigen. De raad kan de toestemming weigeren wegens strijd met het recht of met het algemeen belang. Door de wetswijziging in de Wgr van 1 juli 2022 is de invloed van de raad vergroot doordat zij, voorafgaande aan de toestemming, tevens hun zienswijze aan het college kunnen geven op het voorstel.
Als het gaat om een vennootschap of stichting wordt de raad in de gelegenheid gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Goedkeuring is dan nodig van Gedeputeerde Staten, die dat alleen kunnen weigeren wegens strijd met het recht of met het algemeen belang.
De formele verantwoordingsrelaties worden uitgebreid beschreven door de VNG, link beschikbaar via: https://vng.nl/onderwerpenindex/bestuur/gemeentelijke-samenwerking/publicaties/intergemeentelijke-samenwerking-toegepast ).
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2
Artikel 3.1.3
Verhouding tussen raad en college
Onderdeel van Nota verbonden partijen gemeente Waterland 2024