Beleidsuitgangspunt: Wij zetten in op het zoveel mogelijk clusteren van risicovolle activiteiten op bedrijventerreinen, gescheiden van gebieden waar wordt gewoond, gewerkt (kantoren) of gerecreëerd. Daarbij stimuleren we ook het nemen van bronmaatregelen om het plaatsgebonden risico of het aandachtsgebied van de betreffende risicovolle activiteit zoveel mogelijk te beperken.
De gemeente kan in bepaalde gebieden de uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle stationaire activiteiten verbieden en daarmee de afstand tot gebieden met veel (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties regelen. Daarom zetten we in de eerste instantie in op het clusteren van risicovolle stationaire activiteiten op bedrijventerreinen, gescheiden van gebieden waar wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. Daarbij hanteren we de uitgangspunten zoals genoemd in tabel 2-2.
Bij stationaire activiteiten (uitgezonderd de complexe bedrijven, zie paragraaf 2.4.2) heeft de gemeente, als bevoegd gezag zijnde, ook sturingsmogelijkheden wat betreft de risico's. Bij vergunningverlening voor deze activiteiten kan zij de omvang van het plaatsgebonden risico of aandachtsgebieden beperken. Alie stationaire activiteiten die risico's kennen op het gebied van externe veiligheid staan in bijlage VII Um IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente mag maatwerkregels (inhoudelijke regels, informatieplicht, meldingsplicht, vergunningplicht met beoordelingsregels) opnemen voor deze stationaire activiteiten, tenzij anders is bepaald.
Voor nieuwe risicovolle activiteiten die nog niet als milieubelastende activiteiten zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving kan het zinvol zijn maatwerkregels op te nemen. Te denken valt daarbij aan regels over initiatieven rondom de energietransitie, zoals energieopslagsystemen met lithium-ion batterijen. Deze energieopslagsystemen kunnen bij brand namelijk leiden tot rookwolken met giftige stoffen in de directe omgeving.
De besluitvorming over het wel of niet opnemen van maatwerkregels over nieuwe risicovolle activiteiten in het omgevingsplan is als implementatiepunt overgenomen in hoofdstuk 3.
Bij het opstellen van het omgevingsplan moet in ieder geval een besluit genomen worden over de zogenaamde 'bruidsschat-onderwerpen'. In de 'bruidsschat' staan onderwerpen die met de invoering van de Omgevingswet niet meer op rijksniveau geregeld worden. De bijhorende rijksregels worden automatisch onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan, wat gemeenten de tijd geeft om te bepalen of ze deze rijksregels willen overnemen, al dan niet met aanpassingen. Vanuit externe veiligheid gezien gaat het vooral om de vergunningplicht wat betreft LPG-tankstations en propaan- en propeentanks (zie bijlage B5.7).
De besluitvorming over het wel of niet overnemen van de bruidsschatregels in het omgevingsplan is als implementatiepunt overgenomen in hoofdstuk 3.
Tabel 2-2 Beleidsuitgangspunten voor risicovolle activiteiten per gebiedstype
Gebiedstypen
Uitbreiding of vestiging risicovolle activiteit
Plaatsgebonden risicocontour 1o-6
Aandachtsgebieden
Bedrijventerrein met zware risicovolle activiteiten
Toegestaan
Tot eigen perceelgrens of over openbaar groen, water of weg.
Tot grens bedrijventerrein of over openbaar groen, water, weg of ander bedrijventerrein. Voor bestaande (beperkt) kwetsbare gebouwen van derden op dit bedrijventerrein hanteren we paragraaf 2.5.
Bedrijventerrein met lichte risicovolle activiteiten
Toegestaan, mits het geen zware risicovolle activiteit is
Bedrijventerrein zonder risicovolle activiteiten
Niet toegestaan, tenzij het een risicovolle activiteit is die noodzakelijk is voor het functioneren van het terrein of gebied
Afweging per ontwikkeling, toepassing paragraaf 2.5.
Landelijk gebied
Verblijfsgebieden (wonen, werken, recreëren, etc.)
In tabel 2-2 wordt er onderscheid gemaakt tussen lichte en zware risicovolle activiteiten, omdat niet elk bedrijventerrein hetzelfde is van aard en omvang. Dit onderscheid kan bijvoorbeeld worden gemaakt op basis van de risicovolle stationaire activiteiten in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zo zouden bijvoorbeeld alle activiteiten met een vergunningplicht (activiteiten onder Ben E in bijlage VII Bkl) als zwaar aangewezen kunnen worden en alle activiteiten zonder vergunningplicht (activiteiten onder A in bijlage VII Bkl) als licht.
De nadere uitwerking van dit onderscheid tussen lichte en zware risicovolle activiteiten op basis van bijlage VII van het Bkl is opgenomen als implementatiepunt in hoofdstuk 3. Daarbij moeten gemeenten ook bekijken op welke bedrijventerreinen ze wel/niet lichte en/of zware risicovolle activiteiten wil toestaan.
Beleidsneutraal
Veel gemeenten gebruiken momenteel in hun bestemmingsplannen (welke automatisch onderdeel worden van het tijdelijke omgevingsplan) de systematiek uit de 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. De kern van deze handreiking is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van de benodigde milieuruimte per bedrijf. Dit uit zich in concrete milieuafstanden (voor stof, geluid, geur en gevaar) ten opzichte van milieugevoelige functies (zoals woningen). Op basis van de milieuruimte die een bedrijf nodig heeft, krijgt het bedrijf een milieucategorie toegekend. In het bestemmingsplan nemen gemeenten vaak op welke milieucategorieën zijn toegestaan op de verschillende bedrijventerreinen die ze kennen. Deze methodiek heeft hetzelfde uitgangspunt als de methodiek die in paragraaf 2.4.1 staat beschreven. Maar of het een op een aansluit en of er dus wel/niet planschade kan ontstaan, moet per omgevingsplan worden bekeken.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.4
Artikel 2.4.1
Risicovolle stationaire activiteiten
Onderdeel van Gezamenlijke Beleidsnotitie Externe Veiligheid ODRU-gemeenten