Zoals is aangegeven in paragraaf 2.4 is het voorgestelde beleidsuitgangspunt om risicovolle activiteiten te clusteren op bedrijventerreinen, gescheiden van gebieden waar wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd.
Binnen het clusteringsprincipe maken we onderscheid tussen vier gebiedstypen:
Bedrijventerrein voor zware risicovolle activiteiten;
Bedrijventerrein voor lichte risicovolle activiteiten;
Bedrijventerrein zonder risicovolle activiteiten;
Woon-, werk- en recreatiegebieden en landelijk gebied.
Op basis van de risicovolle milieubelastende activiteiten in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan onderscheid gemaakt warden tussen lichte en zware risicovolle activiteiten. Zo zouden bijvoorbeeld alle activiteiten met een vergunningplicht (activiteiten onder Ben E in bijlage VII Bkl) als zwaar aangewezen kunnen warden en alle activiteiten zonder vergunningplicht (activiteiten onder A en D in bijlage VII Bkl) als licht. Gemeenten moeten deze indeling dan nog vertalen naar het omgevingsplan, door bepaalde activiteiten op bepaalde locaties toe te laten, uit te sluiten of toe te laten onder voorwaarden. label 2-2 (in paragraaf 2.4) geeft een opzet voor hoe de beleidsuitgangspunten in het omgevingsplan vertaald zouden kunnen warden.
Het is aan te raden het voorgestelde onderscheid tussen lichte en zware risicovolle activiteiten nog te vergelijken met de huidige indeling op bedrijventerreinen om te toetsen of een dergelijk onderscheid in de praktijk ook werkbaar en wenselijk is.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.1
Toestaan/uitsluiten van risicovolle activiteiten op bepaalde locaties
Onderdeel van Gezamenlijke Beleidsnotitie Externe Veiligheid ODRU-gemeenten