Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Specifieke bepalingen Participatiewet

Onderdeel van Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn

Paragraaf 6.1 Individuele inkomenstoeslag Artikel 32. Aanvullende voorwaarden 1. Personen die op de datum van aanvraag of gedurende de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag door het rijk bekostigd onderwijs volgen/volgden, worden geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben en komen niet voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking. 2. Een belanghebbende komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als gedurende twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag een maatregel opgelegd is wegens schending van de arbeids- of re-integratieplicht. 3. Indien de belanghebbende gedurende drie maanden na oplegging van de maatregel de gewenste gedragsverandering ten uitvoer heeft gebracht, kan het college individueel afwijken van lid 2 van dit artikel. 4. Het college kan bijstandsgerechtigden na de eerste toekenning van de individuele inkomenstoeslag, bij ongewijzigde omstandigheden, na 12 maanden opnieuw een individuele inkomenstoeslag toekennen. Paragraaf 6.2 Draagkracht Paragraaf 6.2.1 Vaststelling draagkracht Artikel 33. Algemeen De financiële draagkracht wordt gevormd door: a. het vast te stellen deel van het inkomen, en b. het vast te stellen deel van het vermogen. Paragraaf 6.2.2 Draagkracht naar inkomen Artikel 34. Draagkrachtperiode 1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden. 2. Als er sprake is van toekenning van periodieke bijzondere bijstand kan van lid 1 worden afgeweken, waarbij het college de draagkrachtperiode gelijkstelt aan de toekenningsperiode, met een minimum van 3 maanden en een maximum van 18 maanden. 3. De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste dag van de maand waarin de aanvraag op basis van artikel 35 van de Participatiewet ingediend wordt of een voorziening als bedoeld in artikel 12 van de verordening toegekend wordt. 4. Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend wordt, dan kan in afwijking van lid 3, de ingangsdatum van de draagkrachtperiode bepaald worden op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Artikel 35. Berekening draagkrachtruimte 1. Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het netto inkomen per maand, exclusief vakantietoeslag, keer twaalf. 2. Als de belanghebbende en zijn eventuele partner een vast inkomen hebben, dan wordt bij de berekening uitgegaan van het meest recente maandinkomen. Als de belanghebbende een gezamenlijke huishouding voert, dan gaat de gemeente uit van het gezamenlijk inkomen van belanghebbende en diens partner. 3. Als de belanghebbende en/of zijn eventuele partner over een wisselend inkomen beschikken, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag bijzondere bijstand dan wel het toekennen van de voorziening. 4. Middelen die niet tot het inkomen gerekend worden op basis van artikel 31 lid 2 Participatiewet en niet voor de draagkrachtberekening meegenomen worden zijn: a. de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet en; b. de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. 5. De draagkrachtruimte wordt vastgesteld door op het inkomen het volgende in mindering te brengen: a. 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet onder aftrek van de vakantietoeslag als genoemd in artikel 19 lid 3 van de Participatiewet en; b. eventuele buitengewone lasten die gelet op de persoonlijke situatie van de belanghebbende noodzakelijk zijn, waarvoor geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening en geen bijzondere bijstand verleend wordt. 6. Onder de buitengewone lasten genoemd in lid 5 onder b wordt in ieder geval verstaan: a. de gemiste huurtoeslag en zorgtoeslag ten gevolge van het inkomen. b. het boetebedrag van de bestuurlijke premie CAK. c. het ingehouden bedrag executoriaal of vereenvoudigd beslag. d. De CAK bijdrage bij verblijf in een instelling. Artikel 36. Vaststelling draagkracht 1. De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de draagkrachtruimte. 2. Als bijzondere bijstand aangevraagd wordt voor de algemene kosten van het bestaan, dan is de draagkracht 100%. 3. Algemene kosten van het bestaan als bedoeld in lid 2 zijn kosten waarvan men gewoonlijk geacht wordt deze zelf te betalen, ook vanuit een inkomen op bijstandsniveau. Onder deze kosten wordt in ieder geval verstaan: woonkosten en inrichtingskosten. 4. Vervallen. 5. Als sprake is van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend. 6. Bij toekenning van periodieke en incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht eerst verrekend met de periodieke kosten, blijft er draagkracht over wordt deze verrekend met de incidentele bijzondere bijstand. 7. De draagkracht kan bij periodieke bijzondere bijstand in de volgende situaties worden aangepast: a. als het inkomen met tenminste 10% wijzigt; b. bij wijziging van het vermogen, de woon- en/of gezinssituatie welke van invloed is op de draagkrachtberekening. Paragraaf 6.2.3 Draagkracht naar vermogen Artikel 37. Berekening draagkracht naar vermogen 1. Het vermogen voor zover dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet wordt volledig als draagkracht aangemerkt. 2. Het vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet wordt niet als draagkracht aangemerkt. 3. Een auto, motor, scooter of brommer tot een waarde van € 3000 wordt, met in achtneming van artikel 34 lid 2 sub a van de Participatiewet, niet tot het vermogen gerekend. De waarde wordt vastgesteld aan de hand van de ANWB/BOVAG koerslijst. Als de waarde met deze koerslijst niet bepaald kan worden, dan wordt een gemiddelde genomen van de waarde van drie vergelijkbare auto’s/motoren op verkoopsites. 4. Bij een verhuizing naar Alphen aan den Rijn vanuit een gemeente waarmee Alphen aan den Rijn voor de uitvoering van de Participatiewet een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten, stelt het college het vermogen niet opnieuw vast indien de samenstelling van het huishouden niet wijzigt als gevolg van deze verhuizing. Paragraaf 6.3 Voorzieningen voor kinderen (artikelen 38 tot en met 41 verplaatst naar paragraaf 7.5 en vernummerd tot artikelen 53 tot en met 56) Paragraaf 6.4 Bijdrage duurzame huishoudelijke apparaten Artikel 42. Voorwaarden 1. De aanvrager kan in aanmerking komen voor een bijdrage van de gemeente voor de aanschaf of vervanging van duurzame huishoudelijke apparaten als: a. het inkomen in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag gemiddeld niet hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, beide exclusief vakantiegeld/toeslag en; b. het vermogen niet hoger is dan het vrij te laten bedrag als genoemd in artikel 34 van de Participatiewet en; c. gedurende drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een zelfstandig huishouden gevoerd is. 2. Als een bijdrage verstrekt is voor de aanschaf van een duurzaam huishoudelijk apparaat, dan kan voor dit zelfde duurzame huishoudelijke apparaat voor een periode van 7 jaar na verstrekking niet nogmaals een bijdrage worden verstrekt. Voor een computer is bovengenoemde periode 5 jaar. 3. Er bestaat géén recht op een bijdrage voor de aanschaf van een computer zoals genoemd in artikel 43 lid 2 wanneer aanvrager ten laste komende kinderen heeft vanaf 7 jaar die het basisonderwijs volgen. In dat geval kan aanvrager een aanvraag indienen voor een gezinscomputer bij de stichting Leergeld. 4. In afwijking van lid 1 sub a wordt het inkomen gelijkgesteld met de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor: a. de persoon in fase 2 en 3 van een minnelijk schuldhulpverleningstraject of van de persoon die deelneemt aan een traject wettelijke schuldsanering gedurende dit traject. b. de persoon op wiens inkomen beslag ligt. 5. In geval bij een gezamenlijke huishouding een van beide personen een traject SHV of WSNP volgt of op het inkomen van een van beide personen beslag ligt, dient het gezamenlijke inkomen te voldoen aan het gestelde in lid 1. Artikel 43. Duurzame huishoudelijke apparaten 1. De bijdrage van de gemeente kan verstrekt worden voor duurzame huishoudelijke apparaten die noodzakelijk zijn voor het voeren van een huishouden. 2. Duurzame huishoudelijke apparaten zoals bedoeld in het eerste lid zijn: een wasmachine, stofzuiger, koelkast, kookplaat, televisie en een computer. 3. Per huishouden kan jaarlijks een bijdrage voor duurzame huishoudelijk apparaten toegekend worden. Voor de vaststelling van de maximale bijdrage worden de bedragen van het Nibud gehanteerd. De jaarlijkse totale maximale vergoeding is gelijk aan de maximale bijdrage voor de wasmachine zoals deze geïndexeerd is in de maand januari van het aanvraagjaar. Artikel 44. Betaling van de bijdrage 1. De bijdrage duurzame huishoudelijke apparaten wordt door de gemeente betaald na overleg van de (pro-forma) nota en wordt overgemaakt aan de belanghebbende of rechtstreeks aan de leverancier. 2. Wanneer de bijdrage niet aan de leverancier wordt betaald, dient het originele betaalbewijs overgelegd te worden. Paragraaf 6.5 Collectieve zorgverzekering – bijzondere bijstand zorgkosten Artikel 45. Aanspraak 1. Een persoon heeft recht op deelname aan de collectieve zorgverzekering van Zorg en Zekerheid en op een bijdrage hierin van het college als: a. het gezamenlijk inkomen niet hoger is dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, beide exclusief vakantiegeld/toeslag; b. het vermogen niet hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet; c. voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Participatiewet. 2. Bij een inkomen tot en met 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld verstrekt het college een bijdrage die gelijk is aan 100% van de premie voor de aanvullende standaard verzekering en 70% van de premie voor de aanvullende topverzekering. 3. Bij een inkomen hoger dan 110% maar niet hoger dan 130% verstrekt het college een bijdrage die gelijk is aan 50% van de premie voor de aanvullende standaard verzekering en 40% van de premie voor de aanvullende top verzekering. 4. In afwijking van lid 1 sub a en lid 3 wordt het inkomen van de persoon in fase 2 en 3 van een minnelijk schuldhulpverleningstraject of van de persoon die deelneemt aan een traject wettelijke schuldsanering gedurende dit traject gelijkgesteld met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 46. Toetsing en beëindiging (heronderzoek) 1. Jaarlijks vindt een toetsing plaats of de deelnemer, die geen bijstand ontvangt, aan de gestelde voorwaarden voor voortzetting van de deelname aan de collectieve zorgverzekering voldoet. 2. De collectieve zorgverzekering eindigt per 1 januari van het kalenderjaar, nadat de deelnemer niet meer aan de voorwaarden voor deelname als bedoeld in artikel 45 lid 1 voldoet. 3. In afwijking van lid 2 eindigt de collectieve zorgverzekering op de datum waarop de deelnemer niet meer ingeschreven staat als inwoner van de gemeente volgens de Basisregistratie Personen (BRP) of de uitkering beëindigd is wegens fraude. 4. Bij beëindiging van de collectieve zorgverzekering vervalt het recht op de tegemoetkoming/bijdrage in de premie van de collectieve aanvullende zorgverzekering. Artikel 46a. Bijzondere bijstand zorgkosten 1. Een persoon kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor hierna te noemen zorgkosten als: a. hij niet deelneemt aan de collectieve zorgverzekering bij Zorg en Zekerheid omdat hij nog elders verzekerd is; óf b. hij niet kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering vanwege een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar en hij een traject minnelijke schuldbemiddeling of wettelijke schuldsanering volgt. 2. De bijzondere bijstand zoals bedoeld in het eerste lid betreft niet uitstelbare kosten van de tandarts, een bril of lenzen en fysiotherapie waarvoor een vergoeding mogelijk is volgens de collectieve aanvullende zorgverzekering. 3. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de maximale bedragen op grond van de collectieve aanvullende standaard verzekering bij Zorg en Zekerheid. 4. De draagkrachtregels op grond van paragraaf 6.2 zijn bij een aanvraag voor deze kosten van toepassing. 5. De bijzondere bijstand aan de persoon genoemd in het eerste lid sub a wordt slechts verstrekt tot uiterlijk het eerstvolgende kalenderjaar en aan de persoon genoemd in het eerste lid sub b tot uiterlijk de datum waarop men (weer) kan deelnemen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering bij Zorg en Zekerheid. Artikel 46b. Maatwerk bij verlening van bijzondere bijstand 1. Als naar oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten om deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, kan er ook sprake zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand: a. hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen; b. een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot; c. escalatie van de problematiek, waar de persoon of het gezin mee wordt geconfronteerd, wordt opgelost dan wel wordt voorkomen. 2. Als maatwerk in de vorm van bijzondere bijstand nodig is, dient aan tenminste twee van de drie voorwaarden, zoals genoemd in het eerste lid, te worden voldaan. 3. De te verstrekken bijzondere bijstand is aanvullend op de middelen waarover belanghebbende de beschikking heeft om in de betreffende kosten te voorzien en richt zich op de goedkoopste adequate voorziening. 4. De in het eerste lid bedoelde bijzondere bijstand kan ook betrekking hebben op kosten die gerekend worden tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. 5. De bijzondere bijstand wordt zo mogelijk in natura verstrekt. Artikel 46c. Draagkrachtbepalingen voor de verlening van maatwerk 1. Als bijzondere bijstand noodzakelijk is op grond van artikel 46b wordt geen toepassing gegeven aan de draagkrachtbepalingen genoemd in artikel 34 tot en met 37. 2. In afwijking van het eerste lid: a. wordt een bedrag aan liquide middelen gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 lid c Participatiewet inclusief vakantiegeld, vrijgelaten om te kunnen voorzien in de dagelijkse kosten van het levensonderhoud. b. worden de middelen, zoals genoemd in artikel 31 tweede lid van de Participatiewet, tot de middelen van belanghebbende gerekend. c. wordt de vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34 tweede lid onder b van de Participatiewet, op nul gesteld. Artikel 46d. Verplichtingen verbonden aan de bijstand die als maatwerk wordt versterkt 1. Het voorkomen dat belanghebbende binnen afzienbare tijd weer terugvalt in de situatie voor aanvang van de bijstandsverlening, zoals het accepteren van begeleiding in het beheer van de financiën; 2. Beheersing van de Nederlandse taal of specifieke computervaardigheden die nodig zijn om de financiën te kunnen beheren; 3. Begeleiding die voor belanghebbende van belang wordt geacht om een stabiele situatie te bereiken of in stand te houden. Paragraaf 6.6 Overige bepalingen bijzondere bijstand Artikel 47. Ingangsdatum bijzondere bijstand 1. Bijzondere bijstand wordt overeenkomstig artikel 44 lid 1 van de Participatiewet niet verleend voor kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. 2. Van lid 1 kan worden afgeweken, als de kosten gemaakt zijn in de periode van maximaal één maand voorafgaand aan de datum van de aanvraag en de kosten nog niet zijn betaald. Deze uitzonderingsbepaling is niet van toepassing op een aanvraag duurzame huishoudelijke apparaten zoals bedoeld in artikel 43 van de Nadere regels. 3. Bij een aanvraag duurzame huishoudelijke apparaten, zoals bedoeld in artikel 43 van de Nadere regels, kan van lid 1 worden afgeweken, als de kosten gemaakt zijn in de periode van maximaal één maand voorafgaand aan de datum van de aanvraag. Artikel 47a. Bijzondere bijstand gedetineerden 1. De persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan op grond van de individuele situatie gedurende een periode van maximaal 6 maanden, te rekenen vanaf aanvang detentie, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten van de huur, gas, elektriciteit, water en inboedelverzekering. 2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bij aanvang van de detentie duidelijk is dat de periode van vrijheidsbeneming langer zal duren dan 6 maanden. 3. De gemeente betaalt de bijzondere bijstand rechtstreeks aan de verhuurder, verzekeraar en/of de leverancier van gas, elektriciteit en water. 4. De bijzondere bijstand op grond van het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een geldlening en indien mogelijk in termijnen verrekend met de toe te kennen uitkering, dan wel teruggevorderd, zodra belanghebbende uit detentie is. 5. Als belanghebbende over de periode genoemd in het eerste lid een huurtoeslag van de belastingdienst ontvangt, welke redelijkerwijs in deze periode niet voor de betaling van de huur kon worden aangewend, dan wordt de bijzondere bijstand tot het bedrag van de huurtoeslag zo mogelijk in één keer terugbetaald als aflossing van de leenbijstand. Paragraaf 6.7 Overige bepalingen Participatiewet Artikel 48. Verlaging wegens woonsituatie 1. Gelet op artikel 27 van de Participatiewet wordt de uitkering verlaagd als een woning bewoond wordt waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur, dan wel kosten van de eigen woning, verbonden zijn. 2. De verlaging bedraagt 20% van de van toepassing zijnde norm op grond van artikel 20 en 21 van de Participatiewet. Artikel 48a. Gebruikmaking wettelijke bevoegdheid verhaal 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van bijstand als bedoeld in artikel 62f van de Participatiewet. 2. In de situaties van onderhoudsplicht zoals bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet wordt geen verhaal van bijstand toegepast, maar wordt aan de uitkering op grond van artikel 55 van de Participatiewet één of meer van de volgende verplichtingen verbonden: a. bij de rechtbank alimentatie eisen tot de grens van de onderhoudsplicht voor belanghebbende en/of minderjarig(e) kind(eren). Onder deze verplichting wordt ook het vragen van een voorlopige voorziening begrepen; b. het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) inschakelen als de onderhoudsplichtige de door de rechtbank opgelegde alimentatie niet betaalt; c. zich volledig in te zetten om de verplichtingen genoemd in lid 2 sub a en b maximaal te realiseren. 3. Het college kan (tijdelijk) van verhaal afzien als, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen, sprake is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen. Voor het opleggen van de verplichtingen op grond van het tweede lid is dit van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 6.7.1 Bijstand onder verband van krediethypotheek of pandrecht Artikel 48b. Zekerheidstelling 1. Als bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening op grond van artikel 50 van de Participatiewet wordt deze verleend onder zekerheidstelling van hypotheek of pandrecht. Als de geldlening naar verwachting lager is dan € 6.500,- is zekerheidstelling niet nodig. 2. Het college verleent aan de bijstand bedoeld in het eerste lid de verplichting dat belanghebbende meewerkt aan het vestigen van de krediethypotheek of het pandrecht. Artikel 48c. Hoogte hypotheek, waarde woning, vestigingskosten 1. De geldlening, bedoeld in artikel 48b is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet. 2. Voor de vaststelling van de waarde, als bedoeld in het eerste lid, gaat het college uit van de meest recente beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en stelt het college na de datum van aanvang de uitkering elke drie jaar opnieuw vast. 3. De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, de inschrijving van het pandrecht en overige bijkomende kosten, komen ten laste van belanghebbende. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verleend. Artikel 48d. Voorwaarde in hypotheekakte of akte van pandrecht 1. Aan de geldlening worden in elk geval de voorwaarden verbonden genoemd in de artikelen 48e en 48f. 2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of de akte van pandrecht. Artikel 48e. Aflossing, niet voldoen aan betalingsverplichtingen en rente 1. Aflossing van de geldlening vindt in maandelijkse termijnen plaats na beëindiging van de uitkering voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Participatiewet. 2. Het maandbedrag van de aflossing wordt vastgesteld op 50% van de draagkrachtruimte zoals bedoeld in artikel 35 van deze nadere regels. Deze aflossingsbepaling kan worden toegepast bij geldleningen waarvan de zekerheidstelling vóór inwerkingtreding van deze nadere regels heeft plaatsgevonden én deze bepaling een gunstigere werking heeft. 3. Wanneer vastgesteld is dat belanghebbende geen afloscapaciteit heeft, vindt jaarlijks onderzoek plaats naar zijn financiële situatie en wordt beoordeeld of aflossing mogelijk is. 4. Als belanghebbende schuldig nalatig is in het voldoen van vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. Artikel 48f. Verkoop woning 1. Bij verkoop, overdracht of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 48e bijgeschreven rente, direct opeisbaar. De aflossing vindt binnen redelijke termijn plaats. 2. Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het vermogen als bedoeld in artikel 34 tweede lid onder d van de Participatiewet volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. 3. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en eventuele rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Artikel 48g. Opnieuw recht Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening in de vorm van een geldlening op grond van artikel 50 van de Participatiewet opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of akte van pandrecht. Paragraaf 6.7.2 Bijstand ex-gedetineerde jongeren Artikel 48h. Tijdstip indiening aanvraag en voorschotverlening 1. De persoon die uit detentie komt en jonger is dan 27 jaar kan, als hij niet beschikt over middelen om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voorzien, eerder dan de periode genoemd in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet een aanvraag voor algemene bijstand indienen. 2. Aan de persoon genoemd in het eerste lid kan indien nodig direct een voorschot worden verstrekt in de kosten van levensonderhoud. Dit voorschot wordt verstrekt in de vorm van een geldlening en indien mogelijk verrekend met de toe te kennen uitkering, dan wel teruggevorderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel