Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 36:

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling IPP Haaglanden

1.. Een college richt een verzoek tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur neemt een verzoek tot uittreding in behandeling en stelt de voorwaarden vast. Het Algemeen Bestuur spant zich in binnen zes maanden na het verzoek tot uittreding deze voorwaarden te hebben vastgesteld. 2.. Een college dient een verzoek tot uittreding een volledig kalenderjaar voorafgaand aan de beoogde ingangsdatum van de uittreding aanhangig te maken bij het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur kan een college ontheffing verlenen van de termijn van een volledig kalenderjaar als hiervoor bedoeld. 3.. Een besluit tot uittreding kan niet worden genomen gedurende de eerste vijf jaren na toetreding, indien het een toetreder betreft. 4.. Bij het vaststellen van voorwaarden voor uittreding baseert het Algemeen Bestuur zich op de volgende kosten voor uittreding: Investeringen (inclusief onderhouds-/vervangingsinvesteringen): generiek naar rato en individuele naar betreffende gemeente; Contractuele verplichtingen jegens derden; Financiële gevolgen voor de directe kosten en de overheadkosten, waaronder personeel Aandeel naar rato in de algemene reserve Advies- en begeleidingskosten van het proces tot uittreding, door de uittredende partij Voor personeel wordt zoveel mogelijk uitgegaan van het principe ‘mens volgt werk’, indien taken overgaan naar een andere organisatie. 5.. De uittredingsvergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van het volgende: De accountant van het IPP Haaglanden en de accountant van de deelnemende gemeente van het college die wenst uit te treden benoemen gezamenlijk een derde onafhankelijk deskundige die de hoogte van de uittredingsvergoeding zal vaststellen. voorafgaand aan de benoeming van de onafhankelijke deskundige wordt de formule voor de vaststelling van de hoogte van de uittredingsvergoeding door het Algemeen Bestuur vastgesteld, met inachtneming van het vierde lid; de vaststelling van de uittredingsvergoeding door de onafhankelijk deskundige is bindend voor de deelnemende gemeente en voor IPP Haaglanden. 6.. Een college dat verzocht heeft tot uittreding kan, nadat de hoogte van de kosten zoals genoemd in lid 4 en, voor zover van toepassing, beëindiging van de activiteiten van het IPP Haaglanden overeenkomstig het vierde lid vastgesteld is, ervoor kiezen om indien van toepassing en voor zover akkoord bevonden door het Algemeen Bestuur personeel of verplichtingen van het IPP Haaglanden over te nemen in ruil voor kwijtschelding van dat deel van de verschuldigde kosten van desintegratie of beëindiging van activiteiten. 7.. Een college kan slechts besluiten tot uittreding na toestemming van zijn raad, zoals is bepaald in artikel 1 van de wet. Uittreding van een college vergt eveneens, overeenkomstig artikel 1 van de wet, een wijziging van de regeling waarbij het bepaalde in artikel 38 van de regeling in acht wordt genomen. 8.. De uittreding treedt in werking op de in het uittredingsbesluit aangegeven dag. De wijziging treedt niet eerder in werking voordat zij is bekend gemaakt op de in artikel 38 lid 3 en 4 bedoelde wijze 9.. Indien na uittreding slechts één college blijft deelnemen aan deze regeling, is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing als bedoeld in artikel 37.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel