Een deelnemende gemeente kan uittreden uit de regeling door een daartoe strekkend besluit van de raad, het college van burgemeester en wethouders. De uittreding wordt van kracht zes maanden na de datum waarop het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant.
2.1. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en voorlopige uittreedsom vast. De voorlopige uittreedsom wordt gebaseerd op de laatst vastgestelde jaarrekening
2.2. De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Onder frictiekosten wordt verstaan alle directe kosten te maken door de Regeling die het directe gevolg zijn van de beslissing tot uittreding van de deelnemer. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de Regeling die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen (waaronder de bijdrage aan het stimuleringsfonds), de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
2.3. De Regeling brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen zes maanden. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
2.4. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van binnenkomst van het verzoek tot uittreding.. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van binnenkomst van het moment van uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich voordoen na het moment van binnenkomst van het verzoek tot uittreding leiden niet tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemer of het bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien de wederpartij andere inlichtingen zou hebben verstrekt waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
Uittreding kan, behoudens door het Algemeen Bestuur toe te staan afwijking slechts plaats hebben met een opzegtermijn van twee jaar. Met dien verstande, dat de voor de uittreding eventueel noodzakelijke wijziging van de regeling in werking moet zijn getreden voor 1 januari van het jaar van uittreding.
Uittreding kan niet plaatsvinden gedurende de eerste vijf jaren na de toetreding.