Nadere regels bij artikel 3.1 van de verordening
3.5.1 Individuele voorzieningen
Het college biedt als individuele voorziening:
Begeleiding: hulp en ondersteuning ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren. Hierbij kan gedacht worden aan hulp en ondersteuning bij psychosociale en/of gedragsproblemen bij de jeugdigen, ondersteuning aan jeugdigen met een beperking en/of opvoedingsproblemen bij ouder(s) en systemische problematiek. De begeleiding vindt thuis plaats, op locatie van de zorgaanbieder of op school, mits de geboden ondersteuning op school onder de doelen van de Jeugdwet valt. De begeleiding kan, afhankelijk van het type zorg, individueel en/of groepsgericht plaatsvinden.
(GGZ) Behandeling: behandeling van psychische en psychiatrische problemen in verschillende mate van ernst. Oplopend van behandeling regulier, naar specialistisch, naar hoog specialistisch. Daarnaast betreft dit ook behandeling van kinderartsen bij gedragsproblemen en behandeling van jeugdigen met een beperking.
Forensische zorg: ondersteuning en behandeling om de veiligheid te vergroten, recidive terug te dringen en delicten en/of grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. De forensische jeugdhulp is erop gericht de maatschappelijke veiligheid te vergroten. Het gevaar criterium van (dreigend) ernstig grensoverschrijdend gedrag en/of delict gedrag is leidend in de bepaling of forensische jeugdhulp nodig is.
Ernstige dyslexie: diagnostiek en behandeling van ernstige dyslexie voor jeugdigen tot 13 jaar.
Logeren: tijdelijke ontlasting van het gezin van jeugdigen met een beperking, psychosociale en/of gedragsproblemen om de draagkracht te herstellen. Hiervoor is onder begeleiding ook ontlasting mogelijk.
Verblijf: ondersteuning voor jeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. Het uitgangspunt is dat kinderen zoveel mogelijk terug naar huis keren, al dan niet met begeleiding. Als dat niet kan heeft een instelling, zoveel mogelijk lijkend op een gezinssituatie de voorkeur. De ondersteuning is opgebouwd van licht naar zwaar en wordt bepaald op basis van het perspectief van de jeugdige (wordt er verwacht dat de jeugdige op korte of lange termijn of helemaal niet meer terug naar huis kan). Ondersteuning kan plaatsvinden in de vorm van pleegzorg, kortdurend verblijf, langdurend verblijf en een gesloten plaatsing/opname.
Crisis: binnen het spectrum van crisissituaties vallen onveilige situaties voor jeugdigen zowel thuis als ook in hun directe leefomgeving, (dreiging van) verwaarlozing, mishandeling en/of weglopen van jeugdigen en/of ernstige psychiatrische en/of gedragsstoornissen die om acute interventies vragen. Ook gaat het vaak om extreme situaties die een direct handelen eisen. Dit handelen kan bestaan in het toepassen van meer pedagogische maatregelen en interventies of in psychiatrische behandeling. Bij een crisis zijn daarom zowel ambulante interventies mogelijk als een tijdelijke plaatsing uit de thuissituatie of opname binnen de GGZ
De door het college concreet ingekochte individuele voorzieningen, inclusief wachttijden, zijn via de www.beschikbaarheidswijzer.nl/Lekstroom te raadplegen.
3.5.2 Toegang behandeling Ernstige Dyslexie
Het college kan een voorziening toekennen voor de diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie. Hiervoor is een verwijzing nodig van een dyslexie specialist.
3.5.3 Bijzondere kosten Pleegzorg
Een pleegouder die een pleegcontact met een pleegzorgaanbieder heeft, kan voor de kosten voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind, een pleegvergoeding en eventuele toeslagen ontvangen. De pleegvergoeding betreft een basisbedrag dat jaarlijks door de overheid wordt vastgesteld en is bedoeld om de kosten voor de opvoeding en verzorging van het pleegkind te dekken. De pleegzorgvergoeding wordt vanuit de pleegzorgvoorziening gefinancierd. Deze pleegzorgvoorziening is ingezet door het college of de gecertificeerde instelling.
Soms zijn er noodzakelijke kosten die niet uit het basisbedrag van de pleegvergoeding en eventuele toeslagen kunnen worden betaald. Deze noodzakelijk kosten worden ‘bijzondere kosten’ genoemd. Voorbeelden waarvoor een vergoeding van ‘bijzondere kosten’ kan worden aangevraagd zijn: een bijdrage voor een schoolreis, de kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart.
Een pleegoudervoogd of een pleegouder die een pleegkind opvangt omdat een kinderbeschermingsmaatregel is ingezet, kan bij de pleegzorgaanbieder vergoeding ‘Bijzondere kosten’ aanvragen, als:
de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en niet betaald kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen;
voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, zoals een fonds;
de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.
De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200 zelfstandig te beslissen op een aanvraag voor een vergoeding ‘Bijzondere kosten’. Voor bedragen tussen de € 200 en € 500 moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het college. Voor het toekennen van een vergoeding ‘bijzondere kosten’ boven de € 500 is toestemming van het college nodig.
3.5.4 Inzet eigen deskundige medewerkers
Het college kan ervoor kiezen om met inzet van eigen deskundige medewerkers ondersteuning en/of (hulp)voorzieningen aan de jeugdige en/of ouder(s) aan te bieden, om op deze wijze de inzet van individuele voorzieningen te voorkomen. Voor de inzet van deze ondersteuning en/of (hulp)voorzieningen is geen besluit van het college noodzakelijk.
Het is wel noodzakelijk dat er door het Sociaal Team een onderzoek (artikel 2.3 van de Verordening) is uitgevoerd naar de ondersteuningsvraag van de jeugdige en ouder(s) en dat de jeugdige en/of ouder(s) het Plan (artikel 2.4 van de Verordening) voor akkoord hebben getekend.
3.5.6 Inzet eigen deskundige medewerkers Vervoersvoorziening
Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet en artikel 3.1 lid 2 van de Verordening, als
de jeugdige ook een Jeugdhulpvoorziening op grond van de Verordening ontvangt;
En de jeugdhulplocatie op meer dan 6 kilometer (enkele reis) van de verblijfplaats van de jeugdige ligt, waarbij de afstand wordt gemeten langs de kortste voor de jeugdige voldoende begaanbare en veilige weg volgende de ANWB-routeplanner;
En er sprake is van een vervoersprobleem dat de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van ouder(s) en/of het netwerk kan oplossen.
Het college verstrekt een vervoersvoorziening alleen voor het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie van de zorgaanbieder waar de jeugdige ondersteuning ontvangt.
Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening als uit onderzoek, zoals benoemd in artikel 2.3 van de Verordening, blijkt dat dat deze voorziening nodig is.
Er is een vervoersvoorziening nodig als:
er sprake is van een vervoersprobleem;
uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige op eigen kracht of met hulp van ouder(s) of andere personen uit de naaste omgeving (sociaal netwerk) geen oplossing voor het vervoersprobleem kan worden gevonden; en
geen oplossing gevonden kan worden voor het vervoersprobleem door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening; en
als sprake is van een medische noodzaak bij de jeugdige zodat deze een beperking heeft met lopen, instappen of staan of indien er sprake is van desoriëntatie zodat de jeugdige geen gebruik kan maken van openbaar vervoer;
of er sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid, vastgesteld door een deskundige, omdat:
de jeugdige te jong is om zelfstandig te reizen met het openbaar vervoer;
of sprake is van ernstige gedragsproblemen bij de jeugdige waardoor deze niet kan reizen met het openbaar vervoer of;
of er andere redenen van niet-medische aard zijn, die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het openbaar vervoer onmogelijk maken.
de jeugdige of de ouder medewerking hebben verleend aan het college om aantoonbaar te maken dat er sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid;
Het college houdt de ouder(s) verantwoordelijk voor de begeleiding van de jeugdige in het vervoer tot een duur van zes uur per dag, als de jeugdige begeleiding nodig heeft in het vervoer. Dit is niet anders als de ouder werkt.
De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in lid 4 van dit artikel, wordt uitgevoerd door de medewerker van het Sociaal Team of de gecertificeerde instelling.
Het college legt de noodzaak tot inzet van de vervoersvoorziening bij een vorm van Jeugdhulp vast in het Plan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Verordening.
De adressen en tijden, die door de jeugdige of de ouder(s) worden aangegeven in het onderzoek, worden gebruikt voor de planning van het vervoer.
Af en toe voorkomende wijzigingen van deze adressen en tijden zijn geen reden de voorziening aan te passen. Het college verwacht van de jeugdige en de ouder(s) dat ze dit zelf oplossen.
De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur die in de beschikking is vermeld of korter als de betreffende individuele voorziening eerder stopt.
3.5.7 Uitvoering Vervoersvoorziening
Als het college een vervoersvoorziening toekent, kan deze in de vorm van taxivervoer zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op Personenvervoer 2000 worden uitgevoerd of in de vorm van een financiële tegemoetkoming als dat naar het oordeel van het college passend is. De hoogte van een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in het Financieel Besluit uitgewerkt.
De vervoerder is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen zoals een zit-verhoger, kinderstoel en/of gordelkapje. De ouder(s) is/zijn zelf verantwoordelijk wanneer een jeugdige specifieke individuele hulpmiddelen nodig heeft, bijvoorbeeld een fixatiegordel.
Een assistentiehulphond, sociale hulphond (soho) of blindengeleidehond kan in het taxivervoer worden meegenomen.
Voor de uitvoering van een toegekende vervoersvoorziening vindt onderlinge afstemming plaatst tussen de jeugdige, de ouder(s) en de taxivervoerder.