Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Voorzieningen Jeugdhulp en Wmo

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Vijfheerenlanden 2024

Huishoudelijke ondersteuning en opname in een instelling of overlijden van de inwoner Als een inwoner wordt opgenomen in een instelling of overlijd dan ontvangt de achterblijvende inwoner, gedurende een periode van maximaal 4 weken, de toegekende uren huishoudelijke ondersteuning. Dit geldt voor alle vormen van huishoudelijke ondersteuning. Uitgangspunten bij de zorg voor kinderen en hun capaciteiten Hieronder wordt aangegeven wat het college verwacht van (gezonde) kinderen in een bepaalde leeftijdsfase in relatie tot zorg en ondersteuning. Kinderen van 0 tot en met 4 jaar: kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; moeten volledig verzorgd of ondersteund worden bij aan- en uitkleden, eten en wassen; zijn over het algemeen voor hun 4e jaar zindelijk; hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel- en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar: kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; hebben toezicht nodig (en nog maar weinig hulp) bij hun persoonlijke verzorging; zijn over het algemeen zindelijk; sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, gemiddeld tweemaal per week; hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van en naar hun activiteiten gaan; hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school of een vervangende dagbesteding, oplopend van 22 tot 25 uur per week. Kinderen van 12 tot en met 17 jaar: hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden, kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben geen hulp (en maar weinig toezicht) nodig bij hun persoonlijke verzorging; sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, onbekend aantal keer per week; hebben bij hun vrijetijdsbesteding geen begeleiding nodig in het verkeer; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding van opleiding en/of werk. Kinderen van 18 tot en met 22 jaar: kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen: het schoon houden van sanitaire ruimte en één kamer, de was verzorgen voor één persoon, boodschappen halen voor één persoon, de maaltijden verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig en mogelijk kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun activiteiten behoren. De zorg door kinderen en jongvolwassenen wordt in mindering gebracht op de indicatie voor het gezin. Het betreft altijd maatwerk. Kinderen van 23 jaar en ouder: Van hen wordt verwacht dat zij zelfstandig alle huishoudelijke taken en activiteiten kunnen overnemen van een meerpersoonshuishouden. Kindzorg Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen en/of ziekte (tijdelijk) niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van de kinderen. Uitgangspunt is dat bij uitval van één van de ouders de andere ouder deze zorg waar mogelijk overneemt. Dit noemen we gebruikelijke hulp, deze zorg hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot de leeftijd van vijf jaar. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk in afwachting van een definitieve oplossing. Het college geeft een indicatie in principe af voor de maximale duur van drie maanden om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden een oplossing te regelen. Van ouders verwacht het college dat ze zich tot het uiterste inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Verder is ook van belang of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Normtijden Kindzorg1Bron: CIZ normtijden 2006: Voor het beoordelen wat de tijdsbelasting is van zorg voor kinderen hanteert het college de volgende normtijden. voor kinderen tot 5 jaar hanteert het college de volgende normtijden: naar bed brengen: 10 minuten per keer per kind uit bed halen: 10 minuten per keer per kind wassen en kleden: 30 minuten per kind eten/en of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd/ 25 minuten per warme maaltijd babyvoeding (fles geven): 20 minuten per keer per kind luier verschonen: 10 minuten per keer per kind naar school/kinderdagverblijf/peuterspeelzaal halen en brengen: 15 minuten per keer per gezin Het college kent maximaal een voorziening toe van 40 uur per week voor een maximum van 3 maanden en zoveel minder en korter als mogelijk. Aanwezigheid van veel spullen in een woning Wanneer een woning (zeer) vol staat met spullen, zodanig dat dit de huishoudelijke ondersteuning belemmert, dan kan het college verwachten dat de inwoner de spullen vermindert. Hierdoor worden de reguliere schoonmaakactiviteiten, dat wil zeggen: het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ er niet door belemmerd. Voor de aanwezigheid van veel spullen in de woning verleent het college geen extra ondersteuningstijd. Huisdieren Voor de verzorging van (gezelschap)huisdieren is de inwoner zelf verantwoordelijk. Het college verleent hier geen extra tijd voor in het kader van huishoudelijke ondersteuning. Voor huisdieren kan extra inzet van ondersteuning wel noodzakelijk zijn, als het dier functioneert als ‘hulpmiddel’, mits een (gecertificeerde) therapie- of hulphond. Traplift Bij het plaatsen van een traplift beoordeelt het college of de trap voldoet aan het huidige Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Als er aanpassingen aan de trap nodig zijn, dan is de inwoner hier verantwoordelijk voor. Als het gaat om een huurwoning is de woningbouwcorporatie verantwoordelijk voor de aanpassing(en). Rolstoelen Het college verstrekt een rolstoel als deze nodig is voor het structureel zittend verplaatsen in en om de woning. Het college verwacht dat inwoners zelf verantwoordelijk zijn voor aanschaf en onderhoud van rolstoelen voor incidenteel gebruik. Accessoires op een rolstoel die wenselijk, maar niet noodzakelijk zijn, worden niet vergoed door het college. Rolstoel en Wet langdurige zorg (Wlz)- indicatie of verblijf in Wlz-instelling Op grond van de Wmo kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel of vervoersvoorziening toekennen als de inwoner een indicatie heeft op grond van de Wlz. Hierbij is de verzilveringsvorm leidend. Bij verblijf in een instelling (of deeltijdverblijf) kan een inwoner aanspraak maken op een rolstoelvoorziening of vervoersvoorziening (anders dan Regiotaxi) vanuit de Wlz. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Als een inwoner niet verblijft in een instelling en één van de volgende Wlz-indicaties heeft (Volledig pakket thuis (VPT), Modulair pakket thuis (MPT) of pgb) dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening of vervoersvoorziening op grond van de Wmo. Voor een mobiliteitshulpmiddel (bijvoorbeeld rolstoel of scootmobiel), toegekend vanuit de Wmo, van een inwoner die vóór 1 januari 2020 al verbleef in een instelling met een indicatie Wlz blijft de Wmo verantwoordelijk voor onderhoud en/of aanpassing van de rolstoel/scootmobiel. Op het moment dat het middel technisch aan vervanging toe is, dan moet vervanging aangevraagd worden bij het Zorgkantoor op grond van de Wlz. Voor een mobiliteitshulpmiddel (bijvoorbeeld rolstoel of scootmobiel), toegekend vanuit de Wmo, van een inwoner die ná 1 januari 2020 met een Wlz-indicatie verhuist naar een Wlz-instelling wordt de instelling verantwoordelijk voor het mobiliteitshulpmiddel. Het college volgt het landelijk beleid gemaakt voor inwoners die naar een Wlz-instelling verhuizen en de intentie hebben om minimaal 18 dagen per jaar bij het ‘achterblijvende’ thuis willen logeren. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die vanuit de Wmo zijn verstrekt en die redelijkerwijs niet vanuit de zorginstelling zijn mee te nemen en noodzakelijk zijn om te kunnen logeren. Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen bij het ‘achterblijvende’ thuis, op een later moment, met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken. De vertrekkende gemeente blijft verantwoordelijk voor de financiering, ook in het geval inwoner verhuist naar een Wlz- instelling in een andere gemeente. Sportvoorziening Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen, kan het college een sportvoorziening toekennen. Dit is mogelijk als de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een inwoner zonder beperkingen maakt voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. Het college kan een sportrolstoel verstrekken maar ook een ander sporthulpmiddel. De inwoner moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een bewijs van lidmaatschap van een sportvereniging. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is. Duwondersteuning voor rolstoel/ aandrijfondersteuning Voor hoepelondersteuning vraagt het college geen eigen bijdrage aan de inwoner, een hoepelondersteuning is een noodzakelijke aanpassing van de rolstoel vooral voor gebruik in huis. Als een duwondersteuning nodig is, dan vraagt het college een eigen bijdrage aan de inwoner. Duwondersteuning betreft een vervoersondersteuning want deze wordt vooral buiten gebruikt. Begeleiding Het college zorgt ervoor dat na gedegen onderzoek inwoners, die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten uit te voeren, ondersteuning kunnen krijgen. Van belang is dat het sociaal netwerk en/of algemene voorzieningen de behoefte niet (helemaal) kunnen oplossen. Hierbij gaat algemeen toegankelijke begeleiding, in het voorliggend veld of sociale basis, voor. Wanneer dit niet de noodzakelijke oplossing biedt kan er sprake zijn van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening Begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, op het moment dat de inwoner dit niet (helemaal) zelfstandig kan. De maatwerkvoorziening zorgt ervoor dat inwoners zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen (blijven)wonen. Deze begeleiding kan zowel individueel als in groepsverband (dagbesteding) worden geboden, waarbij begeleiding in groepsverband voorliggend is. Bij dagbesteding gaat het om een dagprogramma dat school en/of werk vervangt met als doel: ontmoeting; het hebben van dagelijkse en/of wekelijkse structuur; vaardigheden behouden; participatie behouden of te bevorderen; ontlasten van de thuissituatie/mantelzorger(s) begeleiding naar (on)betaald werk niet zijnde jobcoaching. Individuele begeleiding richt zich op het actief herstellen of (gedeeltelijk) behouden van vaardigheden van de inwoner. Het gaat om het begeleiden naar een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid. Er wordt niet uitgegaan van de beperking maar vooral van de eigen kracht van de inwoner, het leervermogen en de te behalen resultaten in afstemming met de inwoner. Daarnaast wordt er gestreefd om de inwoner zoveel als mogelijk regie over het eigen leven te laten voeren, met minimale inzet van professionals. Indien mogelijk wordt ook het sociaal netwerk of het voorliggend veld betrokken. Ook dient de begeleiding goed aan te sluiten bij de leefwereld van de inwoner. De resultaatgebieden van de maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding zijn: zelfzorg en (geestelijke en lichamelijke) gezondheid regelvermogen en dagstructuur administratie en financiën (alleen in combinatie met andere doelen, anders voorliggend of informeel) sociaal en persoonlijk functioneren zingeving en meedoen woonvaardigheden/zelfstandig voeren van huishouden Begeleiding individueel of groep Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding- groep de aangewezen vorm van begeleiding. Wanneer de ondersteuningsbehoefte bestaat uit één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en niet uit het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is individuele begeleiding de aangewezen vorm in plaats van begeleiding groep. Een contra-indicatie, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen kan leiden tot de noodzaak van individuele begeleiding. In de praktijk kunnen individuele begeleiding en begeleiding groep naast elkaar bestaan (als deze ondersteuning niet op hetzelfde moment van de dag plaatsvindt). Waakvlam Het is van belang dat er al tijdens het ondersteuningstraject wordt nagedacht over eventuele nazorg en waakvlamfunctie bij het afsluiten van de individuele begeleiding; is er iemand die vinger aan de pols kan houden en kan opschalen indien nodig? Deze waakvlamfunctie wordt eerst gezocht in eigen kracht, eigen netwerk of voorliggend veld. Eventueel kan de waakvlamfunctie digitaal plaatsvinden. Hierbij is niet uitgesloten dat de aanbieder van de waakvlamfunctie door een andere aanbieder wordt uitgevoerd. Dagbesteding Het college gaat uit van een maximum aan dagbesteding van negen dagdelen per week. Bij arbeidsmatige dagbesteding kan het college de indicatie indien nodig afgeven tot maximaal de pensioengerechtigde leeftijd Als vervoer naar de dagbesteding noodzakelijk is en de inwoner krijgt hiervoor een toekenning dan wordt de dichtstbijzijnde passende dagbesteding toegekend. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) op basis van een Wmo indicatie Het gaat om lokaal en regionaal vervoer. Bijvoorbeeld om in de buurt of regio boodschappen doen, uit te gaan, familie en vrienden te bezoeken of naar een ontmoetingscentrum te gaan. Inwoners die niet zelfstandig kunnen reizen vanwege een fysieke- en mentale beperking of een chronische ziekte kunnen in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening ‘collectief vervoer’ tegen gereduceerd Wmo tarief. Er moet een structurele, frequente vervoersbehoefte zijn. Vervoer in verband met (structureel) bezoek aan een ziekenhuis voor behandeling, valt in basis onder de Zorgverzekeringswet. Bij afwijzing van de zorgverzekeraar kan de Wmo als vangnet dienen. Bij het onderzoek bekijkt het college welke bestemmingen een inwoner op eigen kracht nog kan bereiken. Als een inwoner vanwege zijn beperking niet meer zelf mag autorijden, kan het reizen met openbaar vervoer of fietsen een optie zijn. Een inwoner kan gebruik maken van algemene voorzieningen. Als de inwoner nog mogelijkheden heeft voor zelfstandig vervoer op kortere afstanden met een ander hulpmiddel dan de auto bijvoorbeeld (fiets, scootmobiel of elektrische rolstoel), houdt het college hier rekening mee en kan het maximale kilometeraantal naar beneden aangepast worden. Want een deel van de afstanden kan de inwoner met een ander hulpmiddel oplossen. Op die manier is het CVV een aanvulling op de kilometers die niet met het andere hulpmiddel kan worden afgelegd. Voor het vaststellen van de hoogte van het aantal kilometers, op jaarbasis, hanteert het college onderstaande tabel als richtlijn. Kilometers die in een kalenderjaar niet worden gebruikt komen aan het eind van het jaar te vervallen. Kilometerbudget Omschrijving klein tot 300 km per jaar Inwoner is af en toe afhankelijk van het CVV. Inwoner kan op eigen kracht middellange afstanden afleggen door gebruik te maken van andere voorzieningen bijvoorbeeld een fiets, scootmobiel of wordt gereden door derden. Voor de korte afstand zelf in staat om auto te rijden. midden 300- 750 kilometer per jaar Inwoner is deels afhankelijk van het CVV. Inwoner kan op eigen kracht korte afstand afleggen door gebruik te maken van andere voorzieningen, bijvoorbeeld een fiets of scootmobiel. Inwoner is voor (delen van de) afstanden afhankelijk van het CVV. groot 750-1500 kilometer per jaar Inwoner is volledig afhankelijk van het CVV. Als begeleiding tijdens het vervoer noodzakelijk is, kan een OV-begeleiderskaart (op grond van het besluit Personen Vervoer 2000, artikel 45) een voorliggende mogelijkheid zijn, waarmee een begeleider gratis mee mag reizen in het OV. Onder regionale vervoersbehoefte verstaat het college het reizen binnen een afstand van 25 kilometer van de woning van de inwoner. De inwoner kan, indien nodig, 10 kilometer verder reizen. De inwoner betaalt hiervoor het commerciële tarief. Het college kan een aantal bestemmingen aanmerken als puntbestemming die ook onder het gereduceerde Wmo tarief vallen. De puntbestemmingen staan op de website van de gemeente en de vervoerder. Vervoer van en naar dagbesteding of participatiebaan, werk of school valt niet onder het gereduceerde tarief van het CVV. Wanneer een inwoner bij deze verplaatsingen belemmeringen ondervindt, kan een beroep worden gedaan op andere wettelijke voorzieningen, zoals ziekenvervoer op grond van de zorgverzekeringswet of leerlingenvervoer. Voor het woon-werkverkeer blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk (er kan eventueel een aanvraag via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -UWV- worden gedaan). Vervoer van en naar dagbesteding voorziet het college indien nodig in de maatwerkvoorziening waarbij dagbesteding wordt toegekend, waarbij het vervoer door de aanbieder van de dagbesteding wordt verzorgd. In uitzonderlijke situaties kan het vervoer van en naar dagbesteding via het CVV worden ingezet. Medische begeleiding Als er medische noodzaak is voor begeleiding tijdens het reizen kan het college hiervoor een indicatie afgegeven. Dit geldt voor inwoners die vanwege hun beperking of belemmering niet zelfstandig kunnen en mogen reizen. De indicatie wordt verstrekt voor situaties waar mogelijk een acute handeling nodig is tijdens de rit. De medisch begeleider reist gratis mee. De indicatie van de inwoner bepaalt hiermee dat zelfstandig reizen niet meer mogelijk is. Het college kan ten behoeve van een indicatie ‘reizen met medisch begeleider’ onafhankelijk medisch advies inwinnen. Een sociaal (niet medisch noodzakelijke) begeleider kan voor hetzelfde tarief als de inwoner meereizen. Bovenregionaal vervoer uitgevoerd door Valys Valys is er voor reizigers met een mobiliteitsbeperking die sociaal-recreatieve uitstapjes buiten de eigen regio willen maken2Voor meer informatie over de richtlijnen en kosten van Valys zie de link:https://valys.nl/. Dit vervoer wordt georganiseerd door de Rijksoverheid en is geen vervoer op grond van de Wmo. Bovenregionaal vervoer ‘Valys’ is een voorliggende voorziening. Bovenregionaal vervoer is voor vervoer van meer dan 25 kilometer enkele reis. Autoaanpassing(en) Bij verstrekking van autoaanpassingen moet de aan te passen auto de investering nog waard zijn. De aanpassing moet minimaal 7 jaar mee gaan. Als de inwoner de auto nog moet kopen houdt de inwoner rekening met het doel waarvoor de auto noodzakelijk is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan voldoende ramen, stand kachel en voldoende zitplaatsen. In basis wordt verwacht dat de inwoner een al aangepaste auto koopt. Onderhoud, reparatie en verzekering is in basis op kosten van de inwoner. Gewenningsrijlessen De redelijke kosten van gewenningsrijlessen die noodzakelijk kunnen zijn bij verstrekking van een scootmobiel of elektrische rolstoel kan het college vergoeden. De inzet van een ergotherapeut is voorliggend. Oplaadkosten Oplaadkosten voor een scootmobiel of een andere elektrische voorziening zijn voor rekening van de inwoner. Woonvoorzieningen, woningaanpassingen Het college verstrekt waar nodig maatwerkvoorzieningen ten behoeve van het wonen. Dit kan een woningaanpassing zijn, of een voorziening zoals een traplift. De maatwerkvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij normaal gebruik van de woning. Het college treft enkel voorzieningen voor ruimtes met een noodzakelijke woonfunctie. Als uit onderzoek blijkt, dat de goedkoopst passende oplossing verhuizen is, dan bespreekt het college dat met de inwoner. Het is belangrijk om te onderzoeken of de inwoner goede redenen heeft om niet te verhuizen. Het college neemt eventuele kosten die in de toekomst zullen moeten worden gemaakt mee in de overweging. Het college kan de inwoner adviseren te verhuizen en hiermee rekening houden bij het al dan niet toekennen van een maatwerkvoorziening. Als het college de inwoner adviseert te verhuizen kan het college, indien nodig, een advies geven waarin wordt beschreven wat de beperkingen zijn, waarom verhuizen de goedkoopst passende oplossing is en aan welke eisen een geschikte woning moet voldoen. De (onafhankelijke) (woon)urgentiecommissie neemt een besluit op een aanvraag voor een urgentie op medische gronden en neemt hierbij het advies van het college mee. De kosten voor de aanvraag voor een (woon)urgentie op medische gronden zijn voor rekening van inwoner. Het college kan losse woonvoorzieningen zowel in bruikleen als in eigendom verstrekken. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor her verstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel), verstrekt het college in eigendom. Woningaanpassing en verhuisplicht Als de woning alleen passend gemaakt kan worden door middel van een bouwkundige woningaanpassing, dan voert het college deze uit als de noodzaak hiertoe is vastgesteld en de kosten van de woningaanpassing niet hoger zijn dan in het Financieel Besluit opgenomen bedrag Een woningaanpassing voor bezoek wordt enkel gedaan ten behoeve van frequent bezoek, en alleen ten aanzien van de woonkamer en een toilet. Als de woning bouwkundig niet is aan te passen, of de kosten hoger uitvallen dan in het Financieel Besluit opgenomen bedrag kan het college de inwoner adviseren om te verhuizen naar een passende woning, zo mogelijk op grond van een woonurgentie. Het college kan in dat geval een compensatie verlenen voor de verhuis- en inrichtingskosten, waarvan de bedragen zijn opgenomen in het Financieel Besluit. (Woon)voorziening voor stalling vervoersvoorziening (Elektrische) vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen moeten adequaat gestald kunnen worden. Bij een voorziening met een accu is het noodzakelijk dat de stalling droog is, deze afgesloten kan worden en er een aansluiting aanwezig is om de accu op te laden. Bovendien moet de inwoner de verplaatsing van stalling naar woonruimte kunnen maken. Hiervoor zijn mogelijk aanpassingen nodig. Als er geen ruimte is om de voorziening adequaat te stallen dan kan het college bijdragen aan het realiseren of adequaat maken van een dergelijke ruimte. De verantwoordelijkheid ligt bij de inwoner om uit te zoeken of er een stalling gerealiseerd mag worden, bijvoorbeeld bij de Vereniging van Eigenaren. Extra aanpassingen welke noodzakelijk zijn als gevolg van de indeling van tuin of terras, afmetingen van door de inwoner aangebrachte toegangspaden, beplanting in de tuin, erfafscheidingen en dergelijke, verzakking van straatwerk komen niet voor vergoeding in aanmerking. Checklist woonvoorzieningen Bij de bepaling aanvullende criteria voor woonvoorzieningen hanteert het college checklist ‘belangenafweging toepassen primaat van verhuizen’: beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen; woning moet binnen een (medisch) aanvaardbare termijn beschikbaar zijn; sociale omstandigheden; afstemming met andere voorzieningen; werksituatie; verandering in woonlasten; wooncomfort; is inwoner huurder of eigenaar van de woning; de wil van inwoner om te verhuizen; overige specifieke omstandigheden. Daarnaast is het belangrijk dat het college in het onderzoek meeneemt of aanwezige mantelzorg en ondersteuning beschikbaar wil blijven bij een verhuizing. Woningaanpassing in verband met beperkingen van minderjarig kind Wanneer er een noodzaak is tot aanpassing van de woning in verband met de beperkingen van een minderjarig kind, dan past het college uitsluitend de woning aan waar het kind zijn hoofdverblijf heeft. Mantelzorg Het college ziet mantelzorg als ondersteuning die wordt geboden door een persoon waarmee de inwoner die ondersteuning nodig heeft een sociale relatie heeft en geen gezamenlijk huishouden voert. Het betreft geen ondersteuning die wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep of in het kader van vrijwilligerswerk. Mantelzorg is onbetaalde ondersteuning en kan nooit als een verplichting worden opgelegd. De mantelzorgtaken zijn in principe gelijk of aanvullend aan gebruikelijke hulp-taken. Dit zijn over het algemeen taken die iemand bij goede gezondheid zelf had uitgevoerd. Mantelzorg wordt over het algemeen gezien wanneer iemand ondersteuning levert aan een inwoner met een frequentie van ongeveer een 8 uur per week. Kortdurend verblijf Verblijf in een zorginstelling wordt in beginsel gefinancierd door de Zorgverzekeringswet of de aanvullende verzekering van de inwoner. Wanneer een inwoner hiervoor niet verzekerd is, kan het college een voorziening voor kortdurend verblijf toekennen. Kortdurend verblijf is bedoeld voor inwoners die intensief zorg en ondersteuning nodig hebben en tijdelijk moeten verblijven in een instelling. De dagelijkse zorg wordt volledig overgenomen. Het is om de mantelzorger te ontlasten, zodat deze de zorg en ondersteuning daarna langer kan volhouden en de inwoner thuis kan blijven wonen. De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week met een maximum van 52 etmalen per jaar. Bij kortdurend verblijf van meer dan 3 etmalen per week is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Een uitzondering hierop is dat als uit onderzoek blijkt dat langer aaneengesloten verblijf noodzakelijk is, het college dit kan verstrekken voor maximaal 3 weken. Het aanmelden bij een locatie is de verantwoordelijkheid van de inwoner. Andere voorziening dan de inwoner wenst Het komt voor dat een inwoner verzoekt om een specifieke voorziening. Ook bij de aanvraag om een specifieke voorziening is het nodig dat het college onderzoekt (bijlage 1) of de specifieke voorziening de meest passende is, de Wmo is namelijk geen claimgerichte wet. Het uitgangspunt is dat het college alleen de goedkoopst passende voorziening toekent dan wel dat als uitgangspunt gebruikt bij het verlenen van een andere voorziening. Als de inwoner vraagt om een andere voorziening dan door het college nodig wordt geacht op grond van het onderzoek, stelt het college dat de inwoner deze mag inzetten, onder de volgende voorwaarden: uit het onderzoek blijkt dat de inwoner recht heeft op een maatwerkvoorziening; de voorziening is gericht op hetzelfde doel als de maatwerkvoorziening; mits wordt voldaan aan de vereisten van de Wmo en de verordening; de voorziening veilig, doeltreffend en op de inwoner is gericht; als de gewenste voorziening die de inwoner ingezet heeft niet het gewenste effect heeft, wordt er geen vervangende voorziening verstrekt. Deze overwegingen worden door het college opgenomen in de beschikking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel