Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.4

Algemene weigeringsgronden voorziening

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Vijfheerenlanden 2024

Anti-revaliderend effect De voorziening wordt geweigerd wanneer de voorziening de situatie van de inwoner niet verbetert maar in stand houdt of zelfs verslechtert. Artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 geeft aan dat de voorziening een passende bijdrage moet leveren en bij een anti-revaliderend effect is dit niet het geval. Leven anders organiseren Wanneer de vraag voor een voorziening weggenomen kan worden door op eigen kracht het leven anders te organiseren, hoeft het college de maatwerkvoorziening niet te verstrekken. Het herinrichten van de woning waardoor een woningaanpassing niet noodzakelijk is, zelf een goede zorgverzekering uitkiezen, of het inregelen van een boodschappenservice en daarmee loslaten dat een inwoner zelfstandig de boodschappen doet, gaat voor op de inzet van een voorziening. Eerder versterkte voorziening functioneert nog Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op een eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling als de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de periode waarin de voorziening volgens algemeen geldende opvattingen technisch is afgeschreven. Het college kan een uitzondering maken als een eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet de schuld zijn van de inwoner. Er bestaat geen aanspraak op een vervangende voorziening als het risico op schade of verlies verzekerd had kunnen worden. Het college verwacht van de inwoner dat deze een verzekering afsluit, dit geldt alleen als de voorziening op basis van een pgb is toegekend. Bij een woonvoorziening wordt verwacht dat de inwoner de woonhuis/opstalverzekering, indien nodig, verhoogt. Als een inwoner schade aan een voorziening oploopt door een tegenpartij dan wordt verwacht dat de inwoner dit verhaalt op een eventueel aansprakelijke partij, dan wel meewerkt aan een regresrecht van het college. Oneigenlijk (niet volgens de regels) gebruik van een voorziening Als aantoonbaar is dat de inwoner de toegekende voorziening niet volgens de regels heeft gebruikt, de voorziening afgeschreven is, dan kan het college weigeren om de voorziening te vervangen. Voorzienbaarheid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr.3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo nadrukkelijk een hekkensluiter is. Alleen wanneer iemand echt niet zelf, of met hulp van zijn netwerk, in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer een inwoner beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met de beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met de genomen beslissing had kunnen voorkomen. Bijvoorbeeld: indien een inwoner is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel (dure) aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.’… Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis –biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening Wmo. Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo, de wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2018:2603) is het belangrijk een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het eerste lid onder b. voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Voorzienbaarheid moet goed onderzocht en in kaart worden gebracht. Het college onderzoekt wat voor de inwoner relevante zaken zijn die de inwoner met beperkingen en belemmeringen had kunnen en moeten weten. Als een inwoner een aantal jaar geleden een bad heeft laten plaatsen en in de jaren daarna gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, is aannemelijk dat de problemen niet te voorzien waren. Het is wel mogelijk dat op het moment dat de gezondheidsklachten ontstonden, de inwoner al had kunnen voorzien dat er problemen met het gebruik van de woning zouden kunnen ontstaan en dan mag het college van de inwoner verwachten dat deze, rekening houdend met deze verwachting, nagedacht zou hebben over bijvoorbeeld verhuizen of het plaatsen van een inloopdouche. Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de inwoner had kunnen voorzien en voorkomen dat er problemen zouden optreden. Als er sprake is van een verwachte toename in de beperkingen en belemmeringen, wijst het college de inwoner er op om zelf actie te ondernemen. Dit wordt vastgelegd in het Plan. Meldt de inwoner zich op enig moment om in aanmerking te komen voor voorzieningen, dan kunnen de besproken acties de basis vormen om vast te stellen welke maatregelen de inwoner redelijkerwijs zelf had kunnen nemen en uitvoeren. Heeft de inwoner dit nagelaten zonder gegronde reden, dan hoeft het college geen maatwerkvoorziening toe te kennen. Langdurig noodzakelijk Een maatwerkvoorziening wordt in basis toegekend als er sprake is van een langdurige beperking en als wordt voldaan aan de eisen van de Wmo en de Verordening. Als er sprake is van een kortdurende beperking verwacht het college dat de inwoner zelf de benodigde maatregelen treft, bijvoorbeeld als een operatie is gepland en inwoner zelf ondersteuning kan regelen voor die tijd. Als de verwachting is dat inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan gaat het college uit van een kortdurende noodzaak. Onder ‘langdurig noodzakelijk’ verstaat het college langer dan zes maanden. Indien het een terminale fase betreft dan wordt niet naar de zes maanden termijn gekeken. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, wordt uitgegaan van langdurige noodzaak. Hoewel het college er expliciet van uit gaat dat de inwoner zelf de ondersteuning regelt na een (planbare) operatie, ziekenhuisopname of revalidatie, kan het college in uitzonderlijke gevallen kortdurend huishoudelijke ondersteuning inzetten om de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner te bevorderen om escalaties te voorkomen. Niet noodzakelijke verhuizing Maatwerkvoorzieningen worden niet toegekend als zij het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de inwoner geschikte woning zonder noodzaak voor de verhuizing. Dit kan anders zijn bij een belangrijke reden voor verhuizing, zoals het aanvaarden van werk op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is. De beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is steeds afhankelijk van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Als een inwoner een voorziening wenst dan verwacht het college van de inwoner dat deze vooraf tijdig contact opneemt met het college, zodat deze kan bepalen of een maatwerkvoorziening in de nieuwe woning toegekend kan worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel