**1..** Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget worden de volgende criteria gehanteerd:
De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende bijdrage, waaronder onderhoud reparatie en verzekering zoals die door het college aan de aanbieder verschuldigd is.
Voor het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget kan de in lid 3 onder a genoemde schriftelijke overeenkomst als uitgangspunt worden genomen met inachtneming van lid e.
Het college kan de hoogte van het PGB als bedoeld in a t/m c vaststellen op basis van één offerte. Voor maatwerkvoorzieningen die niet zijn aanbesteed, zoals een sportvoorziening of woningaanpassing, kunnen meerdere offertes worden gevraagd.
In het persoonsgebonden budget is geen ruimte voor een vrij besteedbaar bedrag.
Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt uitgegaan van een gedifferentieerde tariefstelling voor de inkoop via een pgb bij erkende zorginstellingen, een zelfstandig zonder personeel (zzp’ er) of eenmansbedrijven of niet-professionals. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:
Een budgethouder die een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met een voor de sector toepasselijk cao, kan het maximum (100%) van het vastgestelde ZIN-tarief ontvangen.
Inschakeling van een zzp’er of zorgorganisatie die arbeidsvoorwaarden met lagere loonschalen hanteert, leidt als gevolg van aannemelijke minderkosten, tot een verlaging van het maximum Pgb-tarief met 15%.
Wordt de ondersteuning geleverd door een persoon uit het netwerk van de cliënt én/of een niet professionele hulpverlener dan wordt de minimale hoogte van het Pgb als volgt berekend:
de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden, of ondersteunende begeleiding in de CAO VVT;
vakantietoeslag, en;
tegenwaarde van de verlofuren.
Het genoemde kortingspercentage geldt als uitgangspunt. Indien de Pgb budgethouder kan aantonen dat in zijn situatie het Pgb-tarief niet toereikend is om passende ondersteuning in te kopen, kan in uitzonderlijke gevallen aanpassing plaatsvinden.
Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget worden de volgende criteria gehanteerd:
De kosten zijn nooit hoger dan de kosten voor professioneel ingekochte hulp bij een organisatie voor zorg in natura.
De kosten voor een zzp’er mogen nooit hoger zijn dan de kosten voor ingekochte hulp bij een organisatie.
De kosten voor ondersteuning uit het sociale netwerk mogen nooit hoger zijn dan de kosten voor een zzp’er.
**2..** De volgende zaken mogen niet worden betaald uit het PGB:
Kosten van bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers, tenzij het de kosten van arbeidsbemiddeling betreft door een bemiddelingsbureau met een Per Saldo Keurmerk;
Administratiekosten;
De bijdrage in de kosten, zoals bedoeld in artikel 14;
Reiskosten;
Feestdagen- of andere eenmalige uitkeringen.
**3..** Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen en voorwaarden verbonden:
De budgethouder maakt met de hulpverlener of aanbieder in een schriftelijke overeenkomst tenminste afspraken over het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de wijze van declareren.
Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen uiterlijk zes maanden na uitbetaling niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Een persoonsgebonden budget voor het sociaal netwerk moet in ieder geval beperkt blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
**4..** Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.
**5..** Het college kan in de nadere regels eisen stellen met betrekking tot de verstrekking, uitsluitingsgronden, de hoogte, uitbetaling, besteding, kwaliteitseisen en verantwoording van de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen maatwerkvoorziening.
Hoofdstuk 3
Artikel 11.
Aanvullende criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Land van Cuijk 2024-2