Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.2

Artikel 6.2.1

Horizontale ligging

Onderdeel van Handboek kabels & leidingen 2024

1.. Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen in het trottoir gesitueerd. In het kabel- en leidingentracé staan bij voorkeur geen bomen of andere obstakels (zoals bijvoorbeeld trottoirkolken). 2.. In het overig deel van de openbare weg worden de riolering, het warmtenet en de transportleidingen gesitueerd. 3.. De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé 4.. de perceelgrens is minimaal 0,20 m; 5.. het rioleringsstelsel is 1,0 m. 6.. Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (conform het Handboek Bomen) 7.. Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels en/of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de afstand tussen leidingen en kabels ten minste 0,25 m bedraagt. De horizontale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie Hoofdstuk 10, bijlage 10.1. 8.. In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de wegbeheerder. 9.. Het bovengenoemde basisprincipe moet worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kan Stadswerk072 een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven. 10.. Handholes en/of distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en/of uitritten van percelen en binnen een afstand van 3,00 m vana 11.. f bomen. De handholes en/of distributiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften. 12.. De grondroerder dient vooraf aan Stadswerk072 schriftelijk toestemming te vragen om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of watergang van de gemeente aanwezig zijn. Het aanbrengen van kabels en/of leidingen in een kunstwerk (bijvoorbeeld bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) is niet toegestaan.

Rechtspraak bij dit artikel