Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken als:
ter verkrijging van de vergunning of ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
dit vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten noodzakelijk is in het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist;
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen;
de houder geen gebruik maakt van de vergunning of ontheffing binnen de daarin genoemde termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn;
de houder of diens rechtsopvolger hierom vraagt;
dit noodzakelijk is ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of de ontheffing is vereist of
de vergunning of ontheffing is gegeven in strijd met een wettelijk voorschrift.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 1.7
Algemene gronden voor wijziging of intrekking
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008