Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.34

Bijzondere gronden voor intrekking

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

De burgemeester kan een vergunning voor een prostitutiebedrijf intrekken als: een minderjarige prostituee of een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.28 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of niet voldoet aan de nadere regels als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid; in het prostitutiebedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in of om het prostitutiebedrijf; de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf wordt verstoord of benadeeld; de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen; de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.32 en 3.33 bepaalde niet of onvoldoende nakomt; in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen; in strijd wordt gehandeld met door het college gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3.36; de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt of in het prostitutiebedrijf een escortbedrijf is gevestigd waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.44 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel