De burgemeester kan de vergunning intrekken als:
het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;
in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of de orde in of om de speelgelegenheid;
het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.54 onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;
in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen;
de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld;
de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 3.55, onder a en b gestelde eisen;
de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.57 bepaalde niet of onvoldoende nakomt of
de exploitant of leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 3.59
Bijzondere gronden voor intrekking
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008