Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.28

Bedrijfsplan

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

Het aanvragen van een vergunning voor een prostitutiebedrijf gebeurt met een door het bestuursorgaan vastgesteld aanvraagformulier. Welke gegevens bij de aanvraag moeten worden overgelegd, blijkt uit dit formulier. Zie verder artikel 1.2. Het eerste lid van artikel 3.28 regelt dat daarnaast bij de aanvraag om een vergunning voor een prostitutiebedrijf ook een bedrijfsplan moet worden overgelegd. Uit het bedrijfsplan moet blijken welk bedrijfsbeleid de exploitant voert op de in het eerste lid genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn met name gericht op de bescherming van de positie van prostituees en op de zorg voor de werkomstandigheden. In het tweede lid staat beschreven welke informatie het bedrijfsplan in ieder geval dient te bevatten. De exploitant moet onder meer van een aantal in artikel 3.30 opgenomenverplichtingen aangeven op welke wijze hij aan die verplichting uitvoering gaat geven. Een voorbeeld daarvan is de wijze waarop het toezicht in het prostitutiebedrijf is geregeld en de maatregelen die de exploitant neemt om de zelfredzaamheid van de prostituees te waarborgen. Vanwege de toevoeging "in ieder geval" is het mogelijk dat de burgemeester om extra gegevens vraagt. De eisen aan het bedrijfsplan dienen ter ondersteuning van de belangenafweging bij de vergunningverlening en van het toezicht en de handhaving. Als de burgemeester van oordeel is dat hetgeen in het bedrijfsplan is opgenomen onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees, dan kan hij de vergunning weigeren (zie artikel 3.32). Als het bedrijfsplan niet wordt nageleefd of indien in de praktijk blijkt dat dit bedrijfsplan (en het gevoerde bedrijfsbeleid) onvoldoende garanties biedt voor de bescherming van de positie van de prostituees, kan dit leiden tot het intrekken van de vergunning (zie artikel 3.36). Op grond van het derde lid heeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen over de inhoud van het bedrijfsplan. Met nadere regels kunnen eventueel nieuwe verplichtingen worden opgelegd of kunnen bestaande verplichtingen uit de APV nader worden uitgewerkt of geconcretiseerd. Indien er nadere regels zijn vastgesteld, dient het bedrijfsplan ook daaraan te voldoen. Mocht dat niet het geval zijn dan kan de vergunning hetzij worden geweigerd, hetzij worden ingetrokken. Het vierde lid van artikel 3.28 regelt ten slotte dat voorgenomen wijzigingen van het bedrijfsplan moeten worden gemeld. Het bevoegde orgaan moet immers toetsen of het bedrijfsplan nog aan de gestelde eisen voldoet. Dat de melding schriftelijk moet gebeuren, volgt uit artikel 1.10. De melding kan een grond zijn om de vergunning in te trekken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel