Naar hoofdinhoud
Het verbod van artikel 2.16 is primair gericht tot anderen dan de prostituee. Het tweede lid geeft aan welke gedragingen in ieder geval als ondersteunen worden beschouwd. De opsomming is echter niet uitputtend. Artikel 2.16A Aanwijzing als gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid Artikel 2.16A geeft de burgemeester de bevoegdheid om gebieden, straten of gebouwen aan te wijzen waar het verboden is om zonder exploitatievergunning de bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die worden aangewezen in hetzelfde besluit waarmee een gebied, een straat of een gebouw wordt aangewezen. De burgemeester heeft op deze manier een instrument in handen om meer controle uit te oefenen op bepaalde bedrijfsmatige activiteiten en de ondernemers die deze uitvoeren, als uit rapportages van de politie en/of analyses van onderzoeksinstellingen blijkt dat deze activiteiten een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de bedrijven, dat de openbare orde en de veiligheid als gevolg van de activiteiten worden bedreigd of als op andere wijze niet te tolereren ondermijning wordt veroorzaakt. Aangezien deze bevoegdheid ingrijpt in de mogelijkheid om vrij een bedrijf te kunnen vestigen en tevens de rechtszekerheid dient te worden gewaarborgd voor ondernemers die al voor de aanwijzing een bedrijf ter plaatse exploiteren zal toepassing van deze bevoegdheid alleen mogelijk zijn als dit naar het oordeel van de burgemeester noodzakelijk is. De aanwijzing van de bedrijfsmatige activiteiten is verder in die zin beperkt, dat de aanwijzing geen betrekking zal hebben op bedrijfsmatige activiteiten waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van de APV, zoals voor horeca- en prostitutiebedrijven tenzij het om activiteiten gaat die van die vergunningplicht zijn vrijgesteld. Voor de aanwijzing van een gebied, straat of gebouw bestaan geen beperkingen. Indien daartoe de noodzaak aanwezig wordt geacht kan de burgemeester dus ook de hele gemeente aanwijzen als een gebied waarvoor een vergunningplicht geldt. Daarmee kan de bevoegdheid ook voor bepaalde branches worden gebruikt. De burgemeester vraagt de dagelijks besturen van de stadsdelen om advies vóór hij tot een aanwijzing overgaat. Zodra de redenen die tot aanwijzing hebben geleid niet langer spelen kan de burgemeester het aanwijzingsbesluit weer intrekken. Daarmee komt de vergunningplicht en de verleende vergunningen te vervallen. Het verbod om zonder vergunning in een aangewezen gebied, straat of gebouw de bij dat besluit aangewezen bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen is opgenomen in artikel 3.64. Artikel 2.16b Groepsrondleidingen Het college heeft per 1 april 2018 een ontheffingenbeleid voor het geven van rondleidingen ingevoerd. Voor rondleidingen in het Wallengebied is sinds die datum een ontheffing nodig. Natuurlijke personen (geen rechtspersonen) kunnen een ontheffing aanvragen. Aan de ontheffing zijn verschillende voorschriften verbonden. Deze voorschriften houden onder meer verband met de groepsgrootte en een verbod om op bepaalde drukke plaatsen stil te staan. De drukte in het Wallengebied neemt op piekmomenten onacceptabele vormen aan. De overlast van groepsrondleidingen bestaat onverminderd. Daarom wordt met deze bepaling de burgemeester bevoegd om een (gedeeltelijk) verbod op groepsrondleidingen in te stellen in het belang van de openbare orde, verkeersveiligheid, de leefbaarheid en het tegengaan van overlast

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel