Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.1

Algemene begripsomschrijvingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden. Daarnaast is een tweedeling gemaakt in algemene begripsomschrijvingen (zie artikel 3.1, eerste lid) en bijzondere begripsomschrijvingen (zie artikel 3.1, tweede lid). Artikel 3.1 eerste lid onder a Bedrijf De omschrijving bevat een opsomming van alle vormen van bedrijvigheid die in dit hoofdstuk worden gereguleerd. Artikel 3.1 eerste lid onder b Bezoekers De omschrijving is in overeenstemming met die van de modelverordening van de VNG. Het woord "huishouding" is toegevoegd om ook samenwonende partners onder de omschrijving te brengen. De omschrijving heeft als doel om in geval van twijfel nauwkeurig te kunnen bepalen, of de vergunninghouder of de bezoekers in overtreding zijn. Het criterium van "dringend noodzakelijke aanwezigheid" is hanteerbaar; de omschrijving heeft als doel uit te sluiten dat bijvoorbeeld een monteur in overtreding zou zijn. In de praktijk is een overtreding van de sluitingstijden doorgaans gemakkelijk constateerbaar. Artikel 3.1 eerste lid onder c Exploitant In het hele hoofdstuk wordt consequent hetzelfde begrip gehanteerd voor vergelijkbare functies. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld. Artikel 3.1 eerste lid onder d Leidinggevende In dit hoofdstuk wordt geregeld dat de naam van de leidinggevende verplicht op de vergunning moet worden vermeld. Deze verplichting is opgenomen in het belang van toezicht en controle. Een uitzondering vormt de leidinggevende in een alcoholverstrekkend bedrijf omdat dit voor de drankwetvergunning al wordt geregeld in de Alcoholwet. In kleine bedrijven is het niet ongebruikelijk dat exploitant en leidinggevende één en dezelfde persoon zijn. Door het opnemen van de bestuurder van een rechtspersoon in de omschrijving wordt duidelijk gemaakt dat ook degene die op de achtergrond aan de touwtjes trekt onder het begrip leidinggevende wordt verstaan. Artikel 3.1 tweede lid Bijzondere begripsomschrijvingen Artikel 3.1 tweede lid onder a en b Alcoholverstrekkend en alcoholvrij bedrijf Deze onderscheiding wordt gemaakt omdat voor deze categorieën verschillende openingstijden in de verordening zijn vastgelegd. Artikel 3.1 tweede lid onder d Besloten prostitutiebedrijf Deze definitie moet worden gelezen in samenhang met de omschrijving van prostitutiebedrijf (artikel 3.1, tweede lid onder k). Prostitutiebedrijf vormt het kernbegrip en daarnaast benoemt de APV nog een aantal varianten van prostitutiebedrijf, zoals besloten prostitutiebedrijf. Het meest voor de hand liggende voorbeeld van een besloten prostitutiebedrijf is een bordeel. Artikel 3.1 tweede lid onder c, e en h Dag-, avond- en nachtzaak Deze driedeling voor alcoholverstrekkende bedrijven wordt al sinds de jaren zeventig gehanteerd en is indertijd ingevoerd in nauw overleg met het horecabedrijfsleven en ook zo in stand gebleven. De regelmatig weerkerende discussies over een andere opzet hebben hierin geen echte verandering gebracht. In de laatste discussieronde in 2005 heeft de gemeenteraad er mee ingestemd dat avond- en nachtzaken hun exploitatie desgewenst mogen aanvangen om 09.00 uur. Hoewel de benamingen avond- en nachtzaak hierdoor minder op zijn plaats lijken is besloten deze ingeburgerde termen voorlopig te blijven hanteren ook al omdat mag worden verwacht dat de exploitatie van deze bedrijven toch in hoofdzaak in de avond en nacht zal plaatsvinden. Artikel 3.1 tweede lid onder f Escortbedrijf Kenmerkend voor escort is dat de bemiddeling in prostitutie op een andere plek gebeurt dan waar de prostitutie zelf vervolgens plaatsvindt. In deze definitie is verder tot uitdrukking gebracht dat er sprake moet zijn van bedrijfsmatige exploitatie. Er kan overigens in de praktijk op verschillende manieren blijken dat dit het geval is. Artikel 3.1 tweede lid onder g Horecabedrijf De omschrijving van het begrip horecabedrijf komt grotendeels overeen met die van de modelverordening van de VNG. Onder de reikwijdte van het begrip horecabedrijf vallen een hotel, restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, koffiehuis en aanverwante inrichtingen zoals een afhaalrestaurant, automatiek, ijssalon, ontmoetingscentrum, buurthuis, zalenverhuurbedrijf, kiosk, bistro, crêperie, croissanterie, sociëteit, verenigingsgebouw en sportkantine. Deze opsomming zal nooit volledig zijn aangezien geregeld nieuwe horecaconcepten worden bedacht: cruciaal is dat het gaat om het bedrijfsmatig of in een mate alsof het bedrijfsmatig is dranken worden geschonken en spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte. In de APV worden de vaste staanplaatsen voor de ambulante handel waar eetwaren worden bereid en verkocht zoals patates-friteskramen uitgesloten omdat het uitgeven van staanplaatsen op en buiten de markten al apart wordt geregeld in de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten. Artikel 3.1 tweede lid onder i en j Prostituee en prostitutie Deze definities moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Prostitutie is ruim omschreven; het gaat niet alleen om het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen maar ook om dat wat daaraan vooraf gaat, namelijk het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen. Er is sprake van prostitutie als hier een vergoeding tegenover staat. De term prostituee is sekseneutraal bedoeld, zowel vrouwen als mannen kunnen prostituee zijn. Artikel 3.1 tweede lid onder k, l en m Prostitutiebedrijf, prostitutiehotel en raamprostitutiebedrijf Prostitutiebedrijf (artikel 3.1, tweede lid onder k) vormt de kernbepaling en daarnaast beschrijft de APV nog een aantal mogelijke varianten van prostitutiebedrijven namelijk besloten prostitutiebedrijf (onder d), prostitutiehotel (onder l) en raamprostitutiebedrijf (onder m). Paragraaf 4.1 bevat regels die onverkort gelden voor alle prostitutiebedrijven en regels die daarnaast uitsluitend van toepassing zijn op een variant. Artikel 3.1 tweede lid onder n, o, p en q Seksautomatenhal, seksbioscoop, seksinrichting en sekstheater Seksinrichting (artikel 3.1, tweede lid onder p) vormt het kernbegrip. Deze definitie bestaat uit een opsomming van drie mogelijke seksinrichtingen. Bij alle varianten van seksinrichtingen - seksautomatenhal (onder n), seksbioscoop (onder o) en sekstheater (onder q)- gaat het steeds om het geven van voorstellingen van erotisch-pornografische aard. De inhoud van die voorstellingen en de wijze waarop en de middelen waarmee ze worden gegeven kunnen uiteenlopen. Paragraaf 4.3 bevat vervolgens de regels die gelden voor seksinrichtingen. Artikel 3.1 tweede lid onder r Sekswinkel De definitie van sekswinkel vermeldt “uitsluitend of hoofdzakelijk” om zo te benadrukken dat de verkoop of verhuur van deze artikelen de hoofdactiviteit van het bedrijf is. Artikel 3.1 tweede lid onder s en u Serre en terras Terrassen en serres maken deel uit van een horecabedrijf. Gekozen is voor twee aparte omschrijvingen om het onderscheid tussen losse terrassen in de openbare ruimte en geheel overdekte aanbouwen aan horecabedrijven beter aan te geven. Het oude onderscheid tussen niet-seizoengebonden overdekte terrassen en niet- overdekte terrassen leverde in de praktijk de nodige verwarring op. Het onderscheidende element in de nieuwe omschrijvingen is of het bewuste deel van het horecabedrijf binnen (serre) of buiten (terras) de besloten ruimte van het bedrijf is gelegen. Met besloten ruimte wordt bedoeld de ruimte in het gebouwde perceel waarin het eigenlijke horecabedrijf wordt geëxploiteerd. Een serre kan alleen worden aangebouwd als het bestemmingsplan daarin voorziet. Het onderscheid is verder van belang voor de sluitingstijden en voor het verschil dat op een terras geen etenswaren mogen worden bereid. Zo is een barbecue op een terras niet toegestaan. In de omschrijving is het criterium ‘als zodanig herkenbaar' opgenomen om aan te geven dat pas van een terras kan worden gesproken als uit de inrichting hiervan voor derden duidelijk blijkt dat bij het horecabedrijf een terras wordt geëxploiteerd. Dat is het geval door de aanwezigheid van voorwerpen zoals tafels en stoelen, banken, statafels, parasols etc. Dit sluit ook aan bij wat in het spraakgebruik onder een terras wordt verstaan. Dat betekent dat niet gesproken kan worden van een terras als er alleen groepen mensen buiten staan, al dan niet met een consumptie in de hand, zonder dat er in de openbare ruimte voorwerpen zijn geplaatst die het exploiteren van een terras tot doel hebben. Artikel 3.1 tweede lid onder t Speelgelegenheid In deze definitiebepaling is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om bedrijfsmatige exploitatie van een speelgelegenheid. Het organiseren van zuiver recreatieve spelen waarbij een prijsje kan worden gewonnen valt niet onder de vergunningplicht van de APV. Dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie kan op meerdere manieren blijken. De woorden “winnen en verliezen” geven aan dat er sprake is van inleg van geld, op welke wijze dan ook. Een horecagelegenheid waarin een speelautomaat wordt opgesteld valt overigens niet onder de werking van de regels voor speelgelegenheden (zie de uitzonderingen op de vergunningplicht in artikel 3.55). In de Wet op de kansspelen en de Verordening op de speelautomaten(hallen) wordt de aanwezigheidsvergunning voor een speelautomaat in een horecabedrijf geregeld. Artikel 3.1 tweede lid onder v Weekeinde De omschrijving is ingevoegd om misverstand uit te sluiten en de bepalingen over de tijdstippen van opening en sluiting korter en leesbaarder te maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel