Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.50A

Ter gebruik aanbieden van voertuigen op of aan de weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

1. . Het is verboden zonder vergunning van het college voertuigen, met inbegrip van de uitgezonderde voertuigen bedoeld in artikel 1.1 onderdeel 8, die op of aan de weg staan ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden. 2. . Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op voertuigen waarvoor het college een autodeelvergunning als bedoeld in de Parkeerverordening heeft verleend. 3. . Het college kan de vergunning weigeren of intrekken indien: een door het college vastgesteld vergunningen- of voertuigplafond door verlenen van de vergunning zou worden overschreden; indien de aanvraag wordt ingediend buiten een daartoe door het college vastgesteld tijdvak; of als het ter gebruik aanbieden van de voertuigen: gevaar oplevert voor de veiligheid van de gebruikers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; een nadelige invloed heeft op het milieu; onevenredig beslag legt op de openbare ruimte, of afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte. in strijd wordt gehandeld met het bedrijfsconcept.van de vergunninghouder. 4. . Het college kan met het oog op de bescherming van de belangen genoemd in het derde lid en met het oog op de verdelingsprocedure en indieningsvereisten voor de aanvraagprocedure, nadere regels vaststellen. 5a. . Het college kan ter bescherming van de in het derde lid genoemde belangen per categorie of type voertuig besluiten een plafond instellen voor het maximum aantal voertuigen waarvoor vergunning verleend kan worden en besluiten een plafond in te stellen voor het maximum aantal te verlenen vergunningen. 5b. . Indien voor een categorie of type voertuig een vergunningplafond geldt, maakt het college een tijdvak bekend waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend. Overstijgt het aantal vergunningaanvragen het vergunningenplafond, dan wordt aan de hand van vooraf door het college vastgestelde nadere regels een vergelijkende toets uitgevoerd om te bepalen welke aanvrager(s) een vergunning wordt gegund. 5c. . De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt verstrekt voor de duur van twee jaar. Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal twee jaar. 6a. . Indien een vergelijkende toets als bedoeld in vijfde lid, onder b, wordt uitgevoerd, kan het college in afwijking van artikel 1.4, eerste en tweede lid een langere beslistermijn vaststellen. 6b. . Indien een vergelijkende toets als bedoeld in het vijfde lid, onder b, wordt uitgevoerd, dan maken de elementen van het in de vergunningaanvraag omschreven ‘bedrijfsconcept’, voor zover niet strijdig met de bij of krachtens deze verordening gestelde regels, onderdeel uit van de vergunning indien deze wordt verleend. 7. . Het college kan stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten of gebieden aanwijzen waar het verboden is om voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid te plaatsen, en/of het verboden is om voertuigen of categorieën van voertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden. 8. . Het college kan categorieën of typen voertuigen, stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten of gebieden aanwijzen waarvoor of waar het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt. 9. . Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel