Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 4.17

Verontreiniging van de weg en het water

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

1.. Het is verboden de weg te verontreinigen. 2.. Het verbod geldt niet: voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Omgevingswet of als de verontreiniging het redelijkerwijs niet te voorkomen gevolg is van werkzaamheden. 3.. Degene die de in het tweede lid, onder b bedoelde werkzaamheden verricht, reinigt de weg onmiddellijk na het beëindigen van de werkzaamheden of zoveel eerder als een toezichthouder dat vordert. 4.. Het is verboden zaken die een hinderlijke stank verspreiden, het water kunnen verontreinigen of verondiepen, voor de gezondheid schadelijk kunnen zijn of die blijven drijven, rechtstreeks in het openbaar water te deponeren dan wel zodanig te plaatsen dat deze in het openbaar water kunnen komen. 5.. Het vierde lid geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 6.. Het is verboden zaken te vervoeren dan wel te laden of te lossen, te hijsen of te vieren zonder zodanige voorzieningen te hebben getroffen dat wordt voorkomen dat de lucht, het water of de weg wordt verontreinigd. 7.. Het zesde lid geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Rechtspraak bij dit artikel