Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 4.27

Parkeren van fietsen en bromfietsen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2008

Artikel 4.27 verbiedt hinderlijk parkeren van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen. Deze voertuigen moeten op grond van wegenverkeerswetgeving op het trottoir, voetpad, de berm of ‘andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen’ worden geparkeerd. De APV reguleert dat hoewel parkeren dus is toegestaan, dit wel wordt verboden als hierdoor hinderlijke of gevaarlijke situaties ontstaan. Het verbod heeft betrekking op parkeren ‘op de weg’ zoals de APV deze definieert, dus ook openbare voorzieningen zoals de fietspont bij het Centraal station vallen onder deze regels. Het belemmeren van de doorgang in onderdeel a wordt beoordeeld aan de hand van het Handboek Inrichting Openbare ruimte, waarbij uitgegaan wordt van een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,80 meter breed. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij een grotere of mindere ruimte dan 1,80 nodig of voldoende kan worden geacht. Onderdeel e ziet op de uitvoering van werkzaamheden. Het kan zijn dat voor de uitvoering van werkzaamheden (brom)fietsen, die in de openbare ruimte zijn geplaatst, in de weg staan. De uitvoering van werkzaamheden is in dit verband een breed begrip. Het kan gaan om het opbreken van de straat, maar bijvoorbeeld ook om filmopnames die worden gemaakt in de openbare ruimte of werkzaamheden aan een gebouw ten behoeve waarvan de openbare ruimte moet worden vrijgemaakt. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt op borden ter plaatse aangegeven vanaf wanneer er geen (brom)fietsen geparkeerd mogen staan. Het tweede lid van dit artikel geeft het college in onderdeel a de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar fietsen en bromfietsen slechts een beperkte tijd geplaatst mogen worden, ongeacht of ze in of buiten de daartoe bestemde fietsparkeervoorzieningen zijn geplaatst. Gedacht kan worden aan gebieden met een hoge fietsparkeerdruk, zoals rondom trein- en metrostations, onderwijsinstellingen, uitgaans- en winkelgebieden. Daar is het onwenselijk dat de schaarse fietsparkeercapaciteit en overige plekken in de openbare ruimte worden ingenomen door fietsen die niet of nauwelijks worden gebruikt. Onderdeel b van het tweede lid maakt het verwijderen van fietsen mogelijk die door de eigenaar of gebruiker in de openbare ruimte zijn achtergelaten nadat er kennelijk technische mankementen zijn opgetreden of schade is ontstaan of als de fiets zichtbaar lange tijd niet is gebruikt. Als gevolg van het laten staan of laten liggen van de fiets wordt onnodig parkeerruimte ingenomen en kan afbreuk worden gedaan aan het aanzien van de openbare ruimte. Deze is niet bedoeld om nietgebruikte goederen op te slaan, daarvoor is ze te schaars. In de praktijk worden dergelijke fietsen eerst voorzien van een label of een sticker om de eigenaar/gebruiker in de gelegenheid te stellen zelf actie te ondernemen voordat ze uit de openbare ruimte worden verwijderd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen achtergelaten fietsen en fietswrakken. De verwijdering van de laatste categorie vindt plaats op basis van de regelgeving voor de inzameling en verwijdering van afvalstoffen. Belangrijkste onderscheidende kenmerk tussen de beide categorieën is dat in het geval van een fietswrak, behalve de criteria van het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeren en het zich in een kennelijk verwaarloosde toestand bevinden, in economische zin niet meer de moeite is om de fiets nog te repareren. Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar fietsen of bromfietsen alleen mogen worden neergezet in daarvoor bestemde parkeervoorzieningen zoals rekken, nietjes, fietsparkeervakken, bromfietsparkeervakken en stallingen. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt in het belang van de (verkeers)veiligheid en ter voorkoming van hinder voor passanten en andere weggebruikers. Vooral op drukbezochte punten zoals stations, winkelcentra, uitgaansgebieden en onderwijsinstellingen kan een grote en onordelijk neergezette hoeveelheid (brom)fietsen tot overlast en een onveilige verkeerssituatie voor andere weggebruikers leiden. Op grond van het vierde lid is het verboden om in een aangewezen gebied een (brom)fiets buiten een voor het betreffende voertuig bestemde voorziening te parkeren. Dit betekent dat een (brom)fiets niet buiten een voorziening geplaatst mag worden en ook dat een (brom)fiets niet in een voorziening mag worden geplaatst die niet voor dat voertuig is bestemd. Ter plaatse kan door middel van bijvoorbeeld een bord of een tegel op de grond aangegeven worden voor welk(e) voertuig(en) de voorziening bestemd is. Het is van belang dat voertuigen in de juiste voorziening worden geplaatst, zodat er genoeg ruimte is voor het parkeren van de voertuigen waar de voorziening voor is bestemd zodat efficiënt gebruik gemaakt wordt van de openbare ruimte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel