In deze verordening wordt verstaan onder:
markt: de door het college ingestelde warenmarkt;
marktterrein: de door het college bij instelling van de markt aangewezen en afgebakende locatie voor de markt;
standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt aan een vergunninghouder is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;
vaste standplaats: de standplaats die voor de vergunningsduur ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;
dagplaats: de standplaats die voor één marktdag ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder.
standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel;
selectiecommissie: de door het college ingestelde commissie bestaande uit twee leden van de marktcommissie, één marktkooplui niet zittende in de marktcommissie, één marktmeester en de beleidsmedewerker markt;
standwerkersplaats: de standplaats die voor één marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;
seizoenstandplaats: een standplaats die voor een beperkte periode (maximaal 6 maanden) kan worden ingenomen;
seizoensgebonden producten: producten, die in de regel slechts gedurende een korte periode worden verkocht;
vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een vaste, seizoen-, dag- of standwerkersplaats;
vergunningsduur: de duur van de verstrekte vergunning;
selectieprocedure: procedure waarbij de toewijzing van vrijkomende vaste standplaatsen of seizoenstandplaatsen plaatsvindt op basis van een door het college vast te stellen beoordeling en selectie;
artikelengroepen of branches: de door het college vastgestelde goederen die op de markt worden aangeboden;
marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.