Naar hoofdinhoud

Artikel 1.

Begripsbepalingen

Onderdeel van Bomenverordening Noardeast- Fryslân - 2024

In deze verordening wordt verstaan onder: Boom: Een houtig opgaand gewas dat zich bevindt buiten een houtopstand zowel levend als afgestorven met een diameter van de stam van minimaal 30 centimeter gemeten op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Een houtig opgaand gewas dat zich bevindt in een houtopstand en individueel herkenbaar en na eventuele kap van de houtopstand te behouden is. In geval van 'meerstammigheid' geldt de stamomtrek van de dikste stam. Houtopstand: Groep van één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, of een houtwal, of een grotere (lint) begroeiing van heesters en struiken, of een beplanting van bosplantsoen, of een struweel of een haag en/of een houtopstand, ongeacht stamomtrek, aangemerkt in het groenstructuurplan. Lijst monumentale bomen en waardevolle houtopstanden: Lijst vastgesteld door het college, waarop alle monumentale bomen en waardevolle houtopstanden staan aangegeven. Aanvullend zijn deze monumentale bomen en waardevolle houtopstanden aangegeven op de groenstructuurkaart. Groenstructuurkaart: De informatieve kaart met daarop aangegeven de groenstructuur, buurtgroen, wijkgroen, en aanvullend monumentale bomen en waardevolle houtopstanden, van de vastgestelde lijst met monumentale bomen en waardevolle houtopstanden. Kappen: Rooien of verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel van een boom of houtopstand, met inbegrip van een eerste keer kandelaberen. Knotten/kandelaberen: Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als noodzakelijk periodiek onderhoud. Hakhout: Eén of meer bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. Inheemse bomen: Dit zijn bomen die door hun natuurlijke bescherming vaak resistent zijn tegen veel voorkomende ziekten en plagen en zijn aangepast aan de omgeving waarin ze van nature groeien en daardoor waardevol zijn voor de gehele biodiversiteit. Boomdeskundige: Dit is een deskundige en gediplomeerd als zijnde ETT, European Tree Technician die zich bezig houdt met inhoudelijke kennis van boombeheer, uitvoeren onderzoek en advisering. Noodkap: Noodkap wordt toegepast in die gevallen waarbij sprake is van acute gevaarzetting of een vergelijkbaar spoedeisend belang van de openbare orde of veiligheid. Dit geldt zowel voor bomen in particulier- als in gemeentelijk eigendom. De acute gevaarzetting dient te zijn vastgesteld door de gemeentelijk boombeheerder of een boomdeskundige. Hakhout: Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. Kandelaberen: (terug)Snoeien tot op de hoofdtakken van een boom, alle gesteltakken worden tot tussen de 35 en 50% van de taklengte ingekort, resterende takken worden kort gezet. Plantenziekte: Aantasting van planten (waaronder bomen) door o.a. schimmels, bacteriën en virussen. Snoeien: Het inkorten en/of geheel weghalen van takken in bomen om de vruchtzetting, groei of vorm te bevorderen. Boomonderzoek: Onderzoek waarin o.a. de boomsoort, standplaats, vitaliteit/conditie en levensverwachting van de boom wordt onderzocht op basis van de landelijke richtlijnen welke gelden op het moment van vaststelling van de verordening. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden door een boomdeskundige. Bomen Effect Analyse (BEA): Een BEA is een gestandaardiseerde beoordeling conform richtlijn bomen effect analyse (BEA) van de CROW die alle mogelijke effecten van bouw of aanleg op het duurzaam voorbestaan van een boom of houtopstand in beeld brengt. Dunnen: Kappen uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van een overblijvende houtopstanden, gericht op het duurzaam in stand houden van de houtopstand inclusief onderbeplanting. Boomtaxateur: Boomdeskundige die de boomwaarde bepaald volgens de richtlijnen van de NVTB.

Rechtspraak bij dit artikel