Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 6

Artikel 6.1.

Maatregel verplichtingen op grond van IOAW en IOAZ

Onderdeel van Verordening maatregelen en handhaving participatiewet, IOAW en IOAZ Den Haag 2024

1. . Het college legt gedurende één maand een maatregel op van 20% van de uitkering bij het onvoldoende nakomen van: de verplichting het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de IOAW of de IOAZ als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de IOAW of de IOAZ; de verplichting na te laten datgene wat de inschakeling in de arbeid belemmert, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder d, van de IOAW of de IOAZ; de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder e, van de IOAW of de IOAZ; de verplichting tot het naar vermogen de door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder f, van de IOAW of de IOAZ. 2. . Het college legt gedurende één maand een maatregel op van 30% van de uitkering bij het niet nakomen van: de verplichting aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, IOAW of de IOAZ; de verplichting na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder d, IOAW of de IOAZ: de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder e, van de IOAW of de IOAZ; de verplichting tot het naar vermogen de door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder f, van de IOAW of de IOAZ. 3. . Het college legt gedurende één maand een maatregel op 30% van de uitkering, indien: de dienstbetrekking is geëindigd op grond van een dringende reden, als bedoeld in artikel 7:628 van het Burgerlijk wetboek, en dit de belanghebbende te verwijten valt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende, terwijl het werk doorgezet had kunnen worden en er niet zodanige bezwaren waren dat dit naar het oordeel van het college niet van belanghebbende gevergd kon worden; de belanghebbende heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel