Doel
De OZB vormt de grootste ‘eigen’ inkomstenbron van gemeenten. De heffing is, net zoals de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds, een algemene inkomstenbron om het gemeentelijke voorzieningenniveau te kunnen bekostigen, ofwel de opbrengst is vrij besteedbaar.
De OZB wordt geheven van:
eigenaren van woningen; en
gebruikers van niet-woningen; en
eigenaren van niet-woningen.
Heffingsmaatstaf
Jaarlijks vindt de waardering van woningen en niet-woningen plaats op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De WOZ-waarde bepaalt de hoogte van de aanslag OZB. Deze waarde dient gelijk te zijn aan de waarde in het economische verkeer op de geldende waardepeildatum.
De heffingsmaatstaf voor de aanslag OZB en bij niet-woningen ook voor de aanslag rioolheffing is een percentage van de WOZ-waarde van de betreffende woning en niet-woning. Het tarief wordt jaarlijks bij de begrotingsbehandeling door de gemeenteraad vastgesteld.
Tarievenbeleid
Uitgangspunt bij het bepalen van de OZB-tarieven is dat het totaal van de OZB-opbrengst elk jaar met de inflatie verhoogd wordt. De OZB-tarieven wijzigen jaarlijks met de toe- of afname van de waarde van de onroerende zaken. Bij een lagere WOZ-waarde stijgen de OZB-tarieven en bij een hogere WOZ-waarde dalen de OZB-tarieven. Bij een waardestijging van de onroerende zaken wordt dus niet méér OZB-opbrengst geïnd.
De areaaluitbreiding zorgt voor een extra OZB-opbrengst om de kosten te dekken die deze uitbreiding met zich meebrengt, zoals extra onderhoud wegen en groen.
Met deze werkwijze wordt bereikt dat de gemeentelijke inkomsten niet afhankelijk zijn van de waardeschommelingen van de onroerende zaken. De WOZ-waarde fungeert feitelijk als verdeelsleutel om de totale OZB-opbrengst toe te rekenen aan de gemeentelijke belastingbetalers.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.6
Artikel 2.6.1
Onroerende zaakbelastingen (OZB)
Onderdeel van Nota lokale heffingen 2024