Naar hoofdinhoud
1.. Bij een beslissing als bedoeld in artikel 4 lid 1, neemt het college de zesmaandenjurisprudentie en het rechtszekerheidsbeginsel in acht. 2.. Bij elke beslissing om bijstand terug te vorderen onderzoekt het college of er aanleiding is om de vordering te matigen. Wij komen daarbij tot een evenredige belangenafweging door rekening te houden met: de mate waarin wij de debiteur hebben voorgelicht over de rechten en plichten die horen bij een bijstandsuitkering; de mate waarin wij hebben gereageerd op (eerdere) signalen en verstrekte inlichtingen die van belang (kunnen) zijn voor het recht op bijstand; de mate waarin wij contact hebben onderhouden met de debiteur, bijvoorbeeld door middel van reguliere heronderzoeken en extra heronderzoeken als daar aanleiding toe bestond; ander handelen of nalaten aan onze kant dat er mede toe heeft geleid dat er ten onrechte, teveel of te lang bijstand is verstrekt. 3.. ls een vordering ontstaan door schending van de inlichtingenplicht, dan matigt het college de vordering, als het de debiteur gelet op alle aanwezige omstandigheden niet kan worden verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat is in ieder geval zo als een bewindvoerder heeft nagelaten de nodige inlichtingen te verstrekken. Dat is ook zo als de debiteur vanwege zijn psychische, mentale of cognitieve toestand niet goed in staat was aan de inlichtingenplicht te voldoen. 4.. Als er vanwege lid 2 en/of lid 3 reden is om een vordering te matigen, dan doen we dat met 10% of een veelvoud daarvan. 5.. Het besluit om een vordering te matigen op grond van lid 2 en/of lid 3 wordt genomen in overleg met de betrokken inkomensconsulent.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel