Op aanwijzingen van de algemeen directeur stelt het afdelingshoofd
een concept-functiebeschrijving op. Hij kan zich daarbij laten
bijstaan door een functiedeskundige.
De concept-functiebeschrijving wordt besproken met de betreffende
ambtenaar.
Naar aanleiding van deze gesprekken past het afdelingshoofd zo nodig
de concept-functiebeschrijving aan. Daarna levert het afdelingshoofd
het (definitieve) concept na ondertekening in bij de algemeen
directeur, tezamen met de eventuele schriftelijke opmerkingen van de
betrokken ambtena)r(en). Deze laatste(n) tekent (tekenen) het
concept voor ‘gezien’.
Indien één of meer van de in artikel 3, lid 3 genoemde personen de
concept-functiebeschrijving niet juist en/of niet volledig acht,
wordt in overleg met betrokkene(n) getracht tot overeenstemming te
komen. Wordt deze overeenstemming niet bereikt, dan wordt de
concept-functiebeschrijving door het afdelingshoofd voorgelegd aan
de algemeen directeur met de zienswijze van betrokkene(n). De
algemeen directeur adviseert het college met betrekking tot de
taakinhoud.
Indien de algemeen directeur instemt met de
concept-functiebeschrijving zoals die is opgesteld door het
afdelingshoofd, tekent hij voor akkoord.
De algemeen directeur legt de concept-functiebeschrijving ter
vaststelling voor aan het college.
Het college stelt de functiebeschrijving vast. Deze beslissing wordt
meegedeeld aan degene, die de functiebeschrijving in concept heeft
opgesteld, het afdelingshoofd, de betrokken ambtena(a)r(en) en de
functiedeskundige.
Nadat de vastgestelde functiebeschrijving een onaantastbaar besluit
is geworden wordt aan de functiedeskundige de functiebeschrijving
voor een concept-waarderingsadvies voorgelegd.