Naar hoofdinhoud
1.. De uitoefening van de bevoegdheden waarvoor mandaat, volmacht en machtiging is verleend, geschiedt binnen de grenzen en met inachtneming van het ter zake geldende recht, specifiek met inachtneming van artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.. De gemandateerde en/of de ge(vol)machtigde oefent zijn bevoegdheid niet uit indien hij bij de te nemen beslissing een persoonlijk belang heeft als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel