Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5

Criteria voor individuele voorzieningen

Onderdeel van Verordening Jeugdwet gemeente Utrecht 2025

1.. Een jeugdige en/of ouder kan binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer de Medewerker, de Lokale toegang, het team Leerlingenvervoer of een andere verwijzer heeft vastgesteld dat: inzet noodzakelijk is vanwege de aard en ernst van de hulpvraag; en de jeugdige en/of ouders op eigen kracht of met inzet van personen uit het sociale netwerk, geen passende oplossing kunnen vinden voor hun hulpvraag; en algemene, voorliggende of andere voorzieningen in de situatie van de jeugdige en/of ouder niet voldoende blijken. 2.. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest geschikte individuele voorziening met de laagste prijs. 3. . Een toekenning voor een individuele voorziening in natura wordt alleen verleend voor jeugdhulpaanbieders die het college heeft gecontracteerd tenzij het gaat om een toekenning door een Lokale toegang. 4.. Jeugdige (en ouders) kunnen alleen in aanmerking komen voor vaktherapie bij de toekenning van een individuele voorziening ambulante specialistische jeugdhulp. 5.. Als de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de jeugdhulp is of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende jeugdhulpaanbieder, dan kan de aanvraag voor een individuele voorziening worden afgewezen. 6.. De buurt waar de jeugdige en/of ouders woont, is leidend bij de toewijzing door de verwijzer behalve als: de situatie van de jeugdige en/of ouders inzet door professionals van beide aanbieders vraagt; of er zwaarwegende inhoudelijke redenen om de hulp op een andere plek te laten plaatsvinden; of het om hulp gaat die door de Lokale toegang wordt toegekend. 7. . Het pgb mag niet worden ingezet voor het (deels) financieren van de vakantie. 8. . Een individuele voorziening die naar zijn aard bedoeld is om in te zetten in en rond de woning van jeugdige en/of ouder kan niet tijdens een vakantie worden ingezet. 9. . Indien de jeugdige en/of zijn ouders het pgb nodig hebben om tijdens de vakantie te kunnen functioneren is de maximale vakantietermijn 13 weken per toekenningsperiode van 12 maanden. Echter hiervan mag maximaal 6 weken aaneengesloten worden opgenomen. 10.. In afwijking van lid 1, 3, 5 zijn de criteria voor het vaststellen of een jeugdige in aanmerking komt voor een beoordeling conform lid 11: de Poortwachter ontvangt van de school het relevante leerlingdossier; en de Poortwachter beoordeelt het leerlingdossier volgens de richtlijnen van het Nederlands Kennisinstituut Dyslexie (NKD) wat onder andere inhoudt: dat uit 3 Cito-toetsen (of vergelijkbare toetsen) na elkaar blijkt dat de jeugdige een grote achterstand heeft op technisch lezen op woordniveau. Tussen deze toetsen zit iedere keer minimaal 6 maanden. Bij Cito-toetsen betekent dit dat de jeugdige 3 keer een E- of V-(min)-score heeft op lezen; en de school aantoonbaar extra begeleiding heeft aangeboden. Deze begeleiding moet voldoen aan eisen die staan omschreven in de ‘Brede Vakinhoudelijke Richtlijn Dyslexie’ waaronder minimaal ondersteuningsniveau 3; en de lees- en spellingproblemen niet voortkomen uit laaggeletterdheid, gebrekkig onderwijs of andere problemen; en de Poortwachter adviseert het college over het te nemen besluit op basis van zijn beoordeling van het leerlingdossier dat de school heeft opgesteld. 11.. De criteria voor het vaststellen of een jeugdige in aanmerking komt voor dyslexiezorg zijn: de jeugdige heeft een toekennend besluit ontvangen naar aanleiding van de beoordeling van het leerlingdossier door de Poortwachter. de aanbieder onderzoekt volgens de richtlijnen van het NKD in combinatie met het geldende Protocol Dyslexie en Diagnostiek en Behandeling; en de aanbieder adviseert het college over het te nemen besluit op basis van het door hem verrichtte onderzoek. 12. . Jeugdigen kunnen alleen voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen: als het gaat om vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt; en gedurende de looptijd van de toekenning en het daadwerkelijke gebruik van de jeugdhulpvoorziening; als team Leerlingenvervoer oordeelt dat dat er een (medische) noodzaak is om deze voorziening in te zetten.

Rechtspraak bij dit artikel