De raad stuurt op hoofdlijnen en zet kaders uit bij het begin van een proces. De raad laat zich daarbij leiden door drie belangrijke vragen (de 3 W-vragen):
1. Wat willen we (aan maatschappelijk effect) bereiken.
2. Wat gaan we daarvoor doen.
3. Wat mag het kosten.
Gedetailleerde invulling en uitwerking is een verantwoordelijkheid voor het college.
Wat zijn kaders:
Het begrip ‘kaderstelling’ is niet letterlijk in de wet vastgelegd. In de Gemeentewet worden de volgende kaderstellende bevoegdheden genoemd:
• de budgettaire bevoegdheid, artikel 212 Gemeentewet,
• de verordenende bevoegdheid, artikel 147a Gemeentewet.
Concrete voorbeelden hiervan zijn de programmabegroting en de verordeningen, deze hebben als kaderstelling een formele status (hebben kracht van wet). Anders is het met de kaderstellende nota, die heeft een richtinggevende status, waarbij het college (binnen de grenzen van het politieke krachtenveld) ruimte en vrijheid van handelen heeft.
Wat verstaan we onder kaderstelling (defínitie uit de ‘handreiking Kaderstelling’)
Kaderstelling is het normeren van het inhoudelijk, financieel en procedureel speelveld waarop het college zijn bestuursbevoegdheden uitoefent. Kaderstelling staat daarmee gelijk aan opdrachtformulering. De kaders die de raad stelt zijn op te vatten als opdrachten en randvoorwaarden waarbinnen het college een bepaald onderwerp uitwerkt en ter hand neemt.
Zoals opgemerkt laat de wet veel ruimte tot uitleg van de kaderstellende rol, ruimte die de raad zelf kan invullen. Het initiatief, de voorbereiding tot het stellen van kaders kan zowel van de raad als van het college uitgaan.
Kaderstellende instrumenten:
Om de juiste kaders te stellen kan de raad voor zijn taak gebruik maken van de daarvoor tot zijn beschikking staande (en veelal in de Gemeentewet vastgelegde) rechten, zijn verordenende bevoegdheid en aanvullende instrumenten. Onderstaand een overzicht:
1. Raadsagenda/raadsprogramma
2. Perspectiefnota en Programmabegroting
3. Kaderstellende start- of beleidsnotities
4. Verordenende bevoegdheid
5. Recht van initiatief
6. Recht van amendement
7. Motie
8. Maatschappelijke verkenning / enquête
9. Schriftelijke en mondelinge vragen en interpellatie (deze in aanleg meer controlerende instrumenten kunnen tevens worden gezien als middelen om tijdig politiek bij te sturen en richting te geven aan de handelswijze van het college, m.a.w. kunnen worden gezien als aanvullende kaderstellende opdrachten).
Proces voor kaderstelling
Om het kaderstellende werk te doen kan en zal ook het actief verwerven van informatie door de raad zelf van belang zijn, zie daarvoor hoofdstuk 4 over de passieve informatieplicht. De griffie zal raadsleden en -fracties ondersteunen bij dat onderdeel van informatieverstrekking en -verwerving.
Bij de start of herijking van een beleids- of besluitvormingsproces kan de raad via het proces van:
1. de informerende raadsinformatiebijeenkomst,
2. de kaderstellende raadsinformatiebijeenkomst,
3. de commissievergadering met het kadervoorstel,
4. en de raadsvergadering,
de gewenste kaders aan het college stellen. De informerende en kaderstellende raadsinformatiebijeenkomsten zijn optioneel en op initiatief van de raad of op verzoek van het college, vaak kan alleen volstaan worden met een kadervoorstel in de commissie en de raad.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2.1.
De kaderstellende rol
Onderdeel van Protocol informatievoorziening gemeenteraad Veere