De verschillende woongebieden zijn ontstaan in verschillende perioden. In deze perioden werd verschillend gedacht over stedenbouw en architectuur, wat vaak voortkwam uit maatschappelijke ontwikkelingen en gedachten over de inrichting van de samenleving. De verschillende tijdsbeelden zijn zichtbaar in de ruimtelijke structuur, de architectonische kenmerken en de inrichting van de openbare ruimte. Het benoemen van de belangrijkste kenmerken van de verschillende tijdsbeelden geeft de mogelijkheid om in hoofdlijnen te sturen op het behoud van deze kenmerken en de samenhang en tegelijkertijd ruimte te geven in uitbreidingen of aanpassingen binnen de bestaande structuur en het ruimtelijk beeld.
1900-1940 eerste planmatige dorpsuitbreidingen (traditionalisme)
De ontwikkelingen vanaf begin 20ste eeuw bestond uit verdichting van bebouwingslinten. Rond de oorspronkelijke dorpskern vond ook kleinschalige seriematige woningbouw plaats. Hierdoor ontstond op kleine schaal samenhang op straat- en buurtniveau. Een voorbeeld hiervan is Koningin Wilhelminalaan in Ouderkerk aan de Amstel en aan de Kloosterstraat in Duivendrecht.
De gebouwen hebben over het algemeen één of twee bouwlagen met kap. De hoofdvorm van de woningen is veelal eenvoudig. De woningen hebben een typische traditionele architectuur met roodbruin gemetselde gevels, erkers, gedetailleerd vormgegeven entrees en raampartijen.
Eenvoudig wegprofiel, groene hagen en samenhangende traditionele woningbouw aan de Koningin Wilhelminalaan kenmerkend voor de eerste planmatige dorpsuitbreidingen tussen 1920 en 1940.
Veel plasticiteit (dieptewerking door goot, erkers e.d.) en symmetrie in de gevel van dubbele woning aan de Kloosterlaan te Duivendrecht.
1940-1975 seriematige uitbreidingen (functionalisme)
De bouwopgave was na de oorlog enorm en er werd dan ook voor het eerst grootschalig buiten de dorpskernen gebouwd. Ook in Ouder-Amstel heeft in deze periode grootschalig nieuwbouw plaatsgevonden. De plan- en seriematigheid is groot door herhaling van vergelijkbare woonblokken met identieke woningen in een rij: de zogenaamde stempelverkaveling. Ook grootschalige galerijflats zijn in dit tijdsbeeld te vinden.
De wijken worden gekenmerkt door een sterk rechtlijnige opzet van lange bouwblokken met rijwoningen of galerijflats, zoals aan de Austronautenweg en Lunaweg in Duivendrecht. De openbare ruimte is ruim opgezet met een functionele en groene inrichting door de aanwezigheid van voortuinen of centrale groenvoorzieningen tussen flats. Voorbeelden van dit tijdsbeeld zijn te vinden aan de Jacob van Ruisdaelweg e.o. en Astronautenweg e.o..
Stempelverkaveling met open woonblokken en identieke rijwoningen kenmerkend voor woonwijken gerealiseerd tussen 1950 tot 1970.
Groen en water spelen een belangrijke rol in de ruimtelijke structuur en beleving van de bloemkoolwijk.
Autoluwe woonerven, (snipper)groen en weinig onderscheid tussen de voor- en achterkant van woningen is kenmerkend voor de bouwperiode tussen 1975 en 1990 waar de menselijke schaal leidend was.
1975-1990 bloemkoolwijk (structuralisme)
Waar de planmatig opgezette woonwijken uit de jaren ’50 en ’60 vooral gekenmerkt worden door een rechtlijnige opzet, wordt vanaf 1975 de opzet minder strak. De typerende bloemkoolstructuur doet zijn intrede met besloten wijken en aandacht voor een menselijke schaal, waarin bewoners zich thuis voelen. Kleinschalige en grillige structuren en aandacht voor ontmoetingsplekken waren uitgangspunten. De woningen zijn overwegend geclusterd in kleinere ruimtelijke eenheden met hofjes, pleintjes en woonerven.
Herkenbare voorbeelden van deze periode zijn te vinden in Sluisvaart en Hoofdenburg. De wijken zijn qua ontsluiting en oriëntatie in zichzelf gekeerd. Rijtjeswoningen en twee-onder-één-kap woningen zijn de meest voorkomende bebouwing in deze wijken. Rooilijnen langs woonerven hebben een verspringend verloop. Het overgrote deel van de woningbouw heeft één of twee lagen met een steile kap.
1990-2020 thematische uitbreidingen (gemengde stijlvormen, Neomodernisme, Neorationalisme en Neotraditionalisme)
De afgelopen decennia zijn woonwijken gebouwd met meer variatie in architectuurvormen, woontypologieën en stedenbouwkundige vormen (gebogen vormen, ellipsvormen en cirkels). Er is veelal sprake van een integraal ontwerp, waarbij de landschappelijke ondergrond, de stedenbouwkundige uitleg en de architectonische invulling op elkaar aansluiten en elkaar versterken. De bebouwing kenmerkt zich door een zorgvuldig afgewogen variatie met samenhang op buurtniveau of stedenbouwkundige eenheid. De woningen bestaan over het algemeen uit twee of drie lagen met kap of plat dak.
Voorbeeld van een thematische uitbreiding is de woonwijk Benning. Deze wijk is gelegen in de bocht van de Bullewijk. De wateras is de bindende factor in het plan. Deze is gericht op een kerktoren in het oude dorp. Een ander uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan voor de wijk is het uitbuiten van de ligging aan de rivier door vanuit de zijstraten zichtlijnen uit te laten komen op de dijk. De architectuur van de gebouwen moet bijdragen aan de overzichtelijkheid van de wijk, die opgedeeld is in een aantal clusters. Per cluster is de hoofdkleur voor de gevels vastgesteld, alsook de kapvorm. De kwaliteit van deze wijk zit deels in de eenheid in architectuur.
Bij nieuwere ontwikkelingen is de revival en variatie op de traditionele jaren ’20 en ‘30 stijlvormen opvallend (Neotraditionalisme). Dit is bijvoorbeeld te zien aan de woningbouw van Tuindorp Ouderkerk-Zuid.
Complex Park Zonnehof vormt een passende inbreiding die stedenbouwkundig aansluit op de omgeving met een eigentijdse architectuur.
De centraal gelegen waterloop Eendenkooi vormt een stedenbouwkundige drager voor Benning.
Kernkwaliteiten
Identiteit en uitstraling zijn herkenbaar aan de bouwperiode dat ze gerealiseerd zijn.
De stedenbouwkundige opzet, inrichting openbare ruimte en architectuur zijn bepalend voor de samenhang.
1900-1940 eerste planmatige dorpsuitbreidingen:
kleinschaligheid;
eenvoudige ingerichte openbare ruimte met volwaardig groene elementen;
zorgvuldig ontworpen overgangen privé-openbaar;
traditionele baksteenarchitectuur met soms rijk gedetailleerde gevels.
1940-1975 seriematige uitbreidingen:
samenhang door eenvormigheid en repetitie;
ruim opgezette openbare ruimte met duidelijke functiescheiding;
rechtlijnige (stempel)verkaveling;
sobere en seriematige architectonische uitwerking.
1975-1990 bloemkoolwijk:
besloten compositie met geknikte straten en verkaveling met woonerven en -hofjes;
veel groen rondom en door de wijkdelen heen;
sobere en samenhangende architectonische uitwerking met veel samengestelde hoofdvormen en plasticiteit in de gevels.
1990-2020 thematische uitbreidingen
grootschalige compositie met duidelijk stedenbouwkundig patroon met hoofdstructuren, duidelijke accenten en kleinere ruimtelijke eenheden;
architectonische samenhang per ruimtelijke eenheid (collage aan ensembles);
bij recentere woningbouw is meer sprake van inbreidingen en herstructurering met kleinschalige composities en diversiteit in individuele architectuur binnen één ruimtelijke eenheid;
gemengde stijlvormen en expressieve architectonische uitwerking (gevelarchitectuur).
Grootschalige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen e.d.) zijn onderdeel van de structuur van de wijk, maar hebben vaak een eigen uitstraling in omvang of architectuur.
Regieniveau
Voor de woongebieden is een basis regie van toepassing. De kwaliteitszorg is gericht op het voorkomen van verrommeling en behouden van de basiskwaliteit op stedenbouwkundig niveau.