Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.3.

Artikel 5.3.3.

Criteria woningbouw in het buitengebied

Onderdeel van Nota omgevingskwaliteit

Van oudsher hebben boerderijen en boerenerven een belangrijke beeldbepalende functie in het buitengebied en is er sprake van een sterke samenhang tussen de agrarische bebouwing, erven en het omringende landschap. In de loop der jaren is het belang van andere functies in het buitengebied gegroeid, waaronder ook de toename van woningen. Om te zorgen dat het landelijke karakter behouden blijft is het belangrijk dat de nieuwbouw de aanwezige gebouwtypologieën en karakteristieken respecteert. Dit betekent niet dat de historische bouwkunst de blauwdruk vormt voor nieuwbouw. De historische bouwkunst dient te worden beschouwd als inspiratiebron voor nieuwe bebouwing, zodat de nieuwe bebouwing een bijdrage levert aan het gebiedseigen karakter. De nieuwe woningen moeten zich voegen naar het gebiedseigene, maar kunnen tegelijk de uitdrukking zijn van een nieuwe tijdgeest. Het is de uitdaging om tussen deze twee een balans te vinden. Vaak is het voldoende om te conformeren aan de bestaande schikking van bouwvolumes op het erf en de eenvoudige hoofdvormen van de oorspronkelijke bebouwing zoals boerderijen of dijkwoningen. Bij een goede positionering en hoofdvorm die past bij het landelijk karakter ontstaat een grotere vrijheid voor een eigentijdse architectonische uitwerking van de nieuwbouw. Eenvoudige hoofdvorm van schuurwoning met eigentijdse gevelinvulling en zorgvuldig teruggelegen gepositioneerd ten opzichte van een historische dijkwoning. Criteria Situering en hoofdvorm passen bij de oorspronkelijke (boerderij)bebouwing in het buitengebied: gebouwen zijn vrijstaand gesitueerd op een samenhangend ingericht erf in lijn met een traditionele erfopzet; bijgebouwen, schuren en dergelijke staan ruim achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw; oriëntatie van de kopgevel op de weg of dijk; lange zijde evenwijdig aan de verkaveling van het landschap; enkelvoudige en eenduidige hoofdvorm gebaseerd op traditionele boerderijvormen met een rechthoekig plattegrond, een begane grond en een kap; de nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond; de vorm van het dak is beeldbepalend en bepaalt, van grote afstand gezien, het silhouet van het landschap. Uitgangspunt is een dakvorm die veelvuldig voorkomt in het buitengebied zoals een zadeldak. De architectonische uitwerking kan traditioneel of juist een eigentijdse invulling krijgen: nieuwbouw ter vervanging van historische bebouwing is in beginsel qua architectonische uitwerking nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing; (vervangende) nieuwbouw kan een interpretatie zijn van traditionele stijlen of een hedendaagse architectuurstijl krijgen; de detaillering is eenvoudig en zorgvuldig. Materiaal- en kleurgebruik is ingetogen en dient de gekozen architectuurstijl te ondersteunen: traditionele materialen en gedekte kleuren die passen bij het landelijk gebied; materialen bij voorkeur natuurlijk en hernieuwbaar, zoals (natuur)steen en hout; materiaaleigen kleuren, in ieder geval geen opvallende felle kleuren die contrasteren met de uitstraling van het buitengebied. Nieuwe bebouwing nabij monumentale of andere karakteristieke gebouwen Voor het toevoeging van nieuwe bebouwing op een erf waarbij sprake is van een bestaand monumentaal of karakteristiek gebouw, gelden de volgende aanvullende criteria: Een nieuw woongebouw dient visueel ondergeschikt te zijn aan het beelddragende gebouw (door middel van plaatsing op het erf, het hanteren van een lagere goothoogte, materiaal- en kleurgebruik of het aanbrengen van erfbeplanting). Bijgebouwen of bedrijfsgebouwen nemen een ondergeschikte positie in op het erf.

Rechtspraak bij dit artikel