Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

De relatie tussen gebruikelijke hulp en het persoonsgebonden budget (pgb)

Onderdeel van Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek houdende regels omtrent gebruikelijke hulp Wmo

Als de ondersteuningsbehoefte niet volledig kan worden ingevuld via gebruikelijke hulp of een andere eigen oplossing, dan kan er -binnen de gestelde kaders- een maatwerkvoorziening worden toegekend. Met een toegekende voorziening in de vorm van een pgb kan vervolgens geen hulp worden ingekocht bij een persoon binnen de leefeenheid. Immers, als er binnen de leefeenheid een persoon in staat is de benodigde ondersteuning te bieden, dan hoeft er geen voorziening te worden toegekend. Het pgb kan dus alleen worden besteed aan de inkoop van ondersteuning bij een derde (zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de cliënt). De Wmo 2015 is niet bedoeld als ondersteuning voor het gezinsinkomen. De mogelijke keuze van een partner of ouder om minder te gaan werken ten behoeve van de zorg voor partner of kinderen, betekent niet dat het verlies aan inkomsten wordt opgevangen vanuit de Wmo 2015. Bij (dreigende) overbelasting van partner of ouder(s) kan uiteraard ook geen persoonsgebonden budget (pgb) ingezet worden ten behoeve van deze partner/ ouder(s). Een pgb vermindert namelijk niet de (dreigende) overbelasting, en is dus geen adequate oplossing. Overgangssituaties Wmo 2015 Een verlenging van een toekenning is een nieuwe situatie, die wordt beoordeeld aan de hand van deze beleidsregels. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin het niet behoorlijk is om ondersteuning (in natura of in de vorm van een pgb) ineens te beëindigen. Er is dan een periode nodig voor een cliënt en/of het systeem om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie waarin minder of geen ondersteuning vanuit de Wmo 2015 wordt geboden (een gewenningsperiode). Een gewenningsperiode is altijd maatwerk en afhankelijk van de impact van de afbouw van de ondersteuning op het gezin. Als stelregel geldt echter dat afbouw plaatsvindt binnen een periode van zes maanden.

Rechtspraak bij dit artikel