Aan het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet wel een deugdelijke motivering ten grondslag worden gelegd. Daarbij moet het college nader motiveren waarom het afwijken van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties toch aanvaardbaar wordt geacht. Hoe groter de inbreuk van de activiteit op een omgevingsplan, hoe uitgebreider de motivering moet zijn. Op dit punt komt het college dan ook een ruime discretionaire bevoegdheid toe in de beoordeling of de afwijking van het omgevingsplan nog steeds aanvaardbaar wordt geacht in het kader van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ten eerste mag het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Voor de beoordeling hieromtrent dient in een aantal gevallen een goede onderbouwing te worden opgesteld door de initiatiefnemer en bij de aanvraag te worden gevoegd. Hierin worden in ieder geval alle relevante af te wegen aspecten opgenomen.
Daarnaast gelden de volgende beoordelingsregels uit deze beleidsregel zoals opgenomen in hoofdstuk 2 onder artikel 4 en de artikelen 8.0b en 8.0e van het Bkl:
de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl
de instructieregels van de provincie voor het omgevingsplan
eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie
de regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel
Het college van B&W weigert een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in de volgende gevallen:
er strijd is met de beoordelingsregels uit het Bkl of de beoordelingsregels uit deze beleidsregel zoals opgenomen in hoofdstuk 2 onder 4;
het bevoegd gezag de omgevingsvergunning niet kan verlenen, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aangevraagde activiteit is bijvoorbeeld in strijd met de omgevingsvisie, programma’s of ander relevant gemeentelijk beleid;
De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan;
De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project belemmert, waarvoor een projectbesluit is vastgesteld;
Als voor het toelaten van de gewenste ontwikkeling de algemene regels voor andere locaties in het omgevingsplan moeten worden gewijzigd. Denk bijvoorbeeld aan het herverdelen van gebruiksruimte of het schrappen van bestaande gebruiksmogelijkheden. Dit kan alleen met een wijziging van het omgevingsplan. De aanvraag om omgevingsvergunning is dan technisch niet vergunbaar.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2
Beoordelingsregels BOPA
Onderdeel van Beleidsregel sport(centrum)gerelateerde activiteiten