**1..** Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel tot niet-woning indien het een niet-woning is in de zin van artikel 220a, tweede lid, Gemeentewet, een recreatieterrein in de zin van art. 16, onder e, van de Wet WOZ, een perceel is dat wordt gebruikt door een instelling in de zin van artikel 1, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen en een garagebox, voor zover deze niet op de voet van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ, een samenstel vormt met een woning.
**2..** Het gebruikersdeel bedraagt per jaar voor een perceel in gebruik als woning:
indien de woning op 1 januari of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door één persoon € 206,30;
indien de woning op 1 januari of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt door meerdere personen € 275,00.
**3..** Het gebruikersdeel bedraagt per jaar voor een perceel in gebruik als niet-woning 0,0853% van de waarde in het economische verkeer, met een maximum van € 1.212,40.
**4..** Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 5 bedoelde kalenderjaar geldt.
**5..** Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.